Joodse pioniers

In het begin van de twintigste eeuw wagen veel Joden de ‘sprong’ om als pionier naar het Beloofde Land te gaan. Ze komen echter niet in een ‘gespreid bedje’. De Turken zijn de baas in Palestina. De Arabische grootgrondbezitters willen best land aan die Joodse pioniers verkopen: “Laat ze maar blij zijn met die slechte stukken land, wij worden makkelijk rijk…!” Maar wat krijgen ze een spijt als ze zien dat die pioniers of kolonisten er vruchtbare grond van weten te maken!

Een zwaar karwei

Meter voor meter wordt de moerasgrond drooggelegd. Joodse mannen, vrouwen en ook kinderen staan tot hun middel in het water. Ze graven watersloten om het moeraswater weg te laten lopen. Heet brandt de zon op hun bezwete lichamen. Velen krijgen de gevreesde ziekte malaria. De pioniers planten honderden Australische eucalyptusbomen om het water op te zuigen. Al dit werk duurt ongeveer een jaar. Daarna moet het nu drooggelegde land worden bewerkt. De pioniers hakken nu al de lage, dichte begroeiing weg. Die verbranden ze. Ezels slepen de stenen die uit de grond komen weg. Kinderen helpen hard mee! Nu worden er nog watergeulen gegraven en dammen opgericht om het land te bevloeien (irrigatie noem je dat).

Arabische tegenstand

Je snapt wel dat dit veel en zwaar werk is. Weet je waardoor het nog moeilijker wordt? De jaloerse Arabieren maken het de Joden erg lastig. Ze doen gewapende aanvallen op de pioniers. ‘s Nachts en overdag. De Joden beginnen al een militie te vormen, een groep gewapende mannen die zich kunnen verdedigen. Met ergernis zien de Arabieren steeds meer Joden komen. In 1914 zijn er al zo’n 85.000! En dat op Arabische ‘heilige moslimgrond’! “Dood aan de Joden!” Bloedige aanslagen worden weldra gepleegd op de Joodse nederzettingen.

De ontwikkeling gaat door

Er is intussen veel gebeurd: in 1912 is in Haifa een Technische Universiteit opgericht. Het zal meer dan 10 jaar duren voordat er werkelijk onderwijs wordt gegeven. Maar daaruit blijkt wel, dat de Joodse bevolking zich op technisch gebied snel ontwikkelt. Er komen onderwijsinstellingen. De eerste kibboets verschijnt. Steden zijn gesticht, zoals Petach Tikva en Tel Aviv (in 1909). Ook is door een Russische immigrant (Ben Yehuda) de aloude Hebreeuwse taal gemoderniseerd. Alles bij elkaar: de Joden zorgen voor een groeiende welvaart en een steeds betere medische zorg, waardoor veel mensen uit omliggende landen worden aangetrokken. Zoals uit Irak, Syrië en Jordanië.  

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog gaan er weer veel Joden naar Palestina. Ze zijn vooral afkomstig uit Polen en Rusland. Ze helpen ook weer mee om het land in cultuur te brengen en meer welvaart te geven. Wat dan nog niemand kan vermoeden: de ontwikkelingen tijdens de oorlog zullen van grote betekenis blijken te zijn voor de Joden in Palestina!