3000 jaar Jeruzalem achtergrondinfo

achtergrondinformatie voor leerkracht

Overzicht van de geschiedenis van Jeruzalem

(uit Mivo -12/+12 JBGG)

 

Lezen
Psalm 48
Psalm 122

Zingen
Psalm 9 : 2, 11, 14
Psalm 14 : 7
Psalm 46 : 2, 3, 4
Psalm 48 : 1, 2, 4, 5, 6
Psalm 68 : 5, 8, 13
Psalm 74 : 3, 4, 6, 7, 17, 18, 19
Psalm 76 : 1, 2
Psalm 87 : 1, 2, 3, 4, 5
Psalm 116 : 10, 11
Psalm 122 : 1, 2, 3
Psalm 125 : 1, 2
Psalm 132 : 4, 5 7, 9, 10, 11, 12
Psalm 134 : 1, 2
Psalm 135 : 1, 12
Psalm 147 : 1, 7, 10

 

Jeruzalem, vóór de verovering door David

Reeds voor David de vesting op de Jebusieten veroverde, kunnen we in de Bijbel lezen over de stad Jeruzalem. De eerste keer wordt de stad genoemd met de naam Salem (=vrede), waarover de priester-koning Melchizedek regeerde.

De tweede keer wordt de stad niet met name genoemd, maar wel één van de bergen in het land Moria, waar Abraham zijn zoon Izak moest offeren. Volgens 2 Kronieken 3 : 1 wordt de tempel gebouwd op de berg Moria. Volgens de overlevering heeft Abraham zijn zoon geofferd op de latere tempelberg.

Daarna lezen we slechts enkele gebeurtenissen over Jeruzalem. Jozua levert bij de verovering van het beloofde land slag met de koningen die in het zuiden van de Kanaän wonen. Hun aanvoerder is Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem. Na een beslissende strijd bij Beth-Horon wordt deze koning gevangen genomen en gedood. De kinderen van Juda hebben het gedeelte van Jeruzalem waar zij recht op hadden ingenomen. Vanwege de gunstige strategische ligging is het de stam van Benjamin niet gelukt de hele stad te veroveren. Hun erfdeel, namelijk het bovenste deel van de stad en de burcht bleef in handen van de Kanaänieten (Jebusieten). De naam Salem was veranderd in Jebus, hoewel ook de naam Jeruzalem gebruikt werd.

Jeruzalem als stad Davids

Toen David tot koning gezalfd was over de twaalf stammen, koos hij Jeruzalem uit als residentie. De stad werd bewoond door kinderen uit de stam van Juda en van Benjamin, maar het oudste gedeelte, de ommuurde burcht was nog altijd in de handen van de Jebusieten. Deze burcht was gelegen op de oostelijke heuvel van de stad en plaatste door zijn steile hellingen elke aanvaller voor onoverkomelijke moeilijkheden. De bewoners waren zo vast overtuigd van de onneembaarheid van hun vesting, dat ze David lieten weten, dat zelfs de blinden en de kreupelen hem zouden verdrijven.

Voor het eerst treffen we hier in het Oude Testament de naam Sion aan, die “dorre, hete grond” schijnt te beteken. Het is de oostelijke heuvel, die elders Ofel wordt genoemd. De naam Sion heeft later ook wel ruimere betekenis gekregen en omvat dan ook het hogere en meer noordelijk gelegen gedeelte, waar de tempel lag, of zelfs heel de stad.

Davids besluit om Jeruzalem tot residentie te maken, is van geweldige betekenis geweest. De strategische ligging maakte de stad tot een bijna onneembare vesting. De geografische ligging was belangrijk: centraal, niet speciaal behorend tot één enkele stam. Bovendien heeft David geweten van de priester-koning Melchizedek uit Salem (Psalm 110) en van het offer van Abraham op Moria. Maar door dit alles heen, zien we bovenal Gods leiding. De Heere Zelf heeft Jeruzalem verkozen om daar te wonen.

Jeruzalem als stad Gods

Jeruzalem wordt de plaats waar de Heere wonen wil als de ark des verbonds er een plaats krijgt. David brengt de ark naar Jeruzalem. Eerst op een wagen, tegen de wetten van de Heere in. De runderen die de wagen trekken, struikelen. Uzza sterft als hij dan de ark vastgrijpt.

Daarna laat David de ark ophalen, zoals de Heere het bevolen heeft. De priesters en Levieten moeten zich heiligen. De ark wordt gedragen. Er worden vele offers gebracht. Er wordt gezongen, op muziekinstrumenten gespeeld en David huppelt met alle macht voor de ark uit.

Hoe goed heeft David toen beseft, dat het een wonder van genade is, dat de heilige God bij hen wil wonen. Hoe goed heeft hij beseft, de grote afstand die er is tussen de Heere en een schuldig volk. Psalm 24 : 3: Wie zal klimmen op de berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? Des te groter het wonder, dat die heilige, heerlijke God, Zelf Jeruzalem verkoren heeft om daar te wonen in Zijn gunst (Psalm 68 : 17, Psalm 87 : 2). Daar vloeit het bloed der verzoening dat heenwijst naar het bloed van het Godslam, Dat komen zal.

Jeruzalem verwoest door Nebukadnezar

Voortdurend wijkt Israël af van Gods geboden. Vele malen heeft de Heere door Zijn profeten laten waarschuwen. Maar het volk gaat er van uit dat de aanwezigheid van de tempel een garantie is voor het behoud van de stad Jeruzalem. Ze denken dat het met de oordelen van de Heere wel mee zal vallen. Jeremia moet waarschuwen: Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel zijn deze! Jeremia 7:4. Dat wil zeggen: Denk niet dat de Heere omwille van de tempel de stad zal sparen.

Nebukadnezar komt. Het beleg rond de stad duurt anderhalf jaar. De honger is verschrikkelijk. ’s Nachts proberen koning Zedekia en zijn mannen te ontvluchten, maar ze worden achterhaald en de stad wordt in genomen en verwoest. Wat een sprake gaat hier van uit. Het verbond van de Heere is geen automatische garantie dat het allemaal wel in orde zal komen. De Heere is rechtvaardig in Zijn oordeel. Zie ook Jeremia 7: 11-15.

In de schets is de tekst aangehaald uit Klaagliederen 5 : 16. Er klinkt schuldbelijdenis op de puinhopen van de stad. De kroons onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij gezondigd hebben! Om de vertelling niet al te verwarrend te maken, is in de schets de naam van Jeremia achterwege gelaten.

De terugkeer naar Jeruzalem

Het verbond van de Heere is geen automatisme, maar toch heeft de Heere Zich er in Zijn genade aan willen binden. Hij gedenkt aan Zijn verbond. Hij gedenkt aan Zijn belofte. De belofte van het vrouwenzaad. Het Lam zal komen. Het volk keert terug uit ballingschap. De Heere gebruikt koning Kores als instrument in Zijn hand.

Onder leiding van Ezra keert een gedeelte van het volk terug. De tempel wordt herbouwd. Haggaï is de profeet die ten tijde van de wederopbouw van de tempel Gods Woord mag verkondigen. De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter zijn dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen. Haggaï 2:10. En ondanks tegenslagen komt de tempel er uiteindelijk toch.

De muren van de stad liggen evenwel nog in puin. Als Nehemia dat verneemt, vraagt hij toestemming om naar Jeruzalem te reizen en de muren op te bouwen. Hij krijgt verlof. Dertien jaar na Ezra’s aankomst in Jeruzalem komt Nehemia in de stad aan. Dan worden ook de muren herbouwd.

Jeruzalem in de tijd van de Heere Jezus

In 63 voor Christus veroveren de Romeinen Palestina en Jeruzalem. Zij stellen heersers aan om over Palestina te regeren. Herodes is koning als de Heere Jezus geboren wordt. Deze Herodes wordt de ‘Grote’ genoemd. Dit slaat op zijn bouwactiviteiten. Hij heeft Jeruzalem in zijn oude luister hersteld. Alles wat door oorlogen verwoest was, wordt mooier dan ooit herbouwd. Ook de tempel wordt door hem vernieuwd en vergroot. Uit grote steenblokken wordt de tempel opgebouwd. Tien jaar wordt er door tienduizend arbeiders aan gewerkt.

Boven de tempel is de burcht Antonia gebouwd, de legerplaats van de Romeinen. Van hieruit kunnen zij het tempelplein overzien. De Romeinen waren bijzonder gehaat bij de Joden..

De godsdienst is in de tijd van de Heere Jezus zeer veruitwendigd. Was er vóór de ballingschap altijd een afwijken van de geboden en een dienen van andere goden, na de ballingschap worden de geboden tot in detail toegepast en uitgelegd. Het is echter een ijver die niet voortkomt uit de liefde, maar vanuit een slaafs wetticisme.

In deze wereld komt de Heere Jezus met Zijn prediking en wonderen. Enerzijds wekt Hij bij velen de verwachting dat Hij de Romeinen zal verjagen en het koninkrijk van Israël weer zal oprichten. Aan deze verwachting voldoet de Heere Jezus niet. Hij is wel de Zoon van David, maar Hij brengt het Koninkrijk der hemelen. Anderzijds strookt de prediking van de Heere Jezus ook niet met het wetticisme van de vrome Joden, zodat ook deze groep Hem verwerpt. Deze twee sporen zien we bij elkaar komen aan het einde van Jezus’ leven.

Bij de intocht in Jeruzalem roept het volk opgetogen: Hosanna, de Zone Davids! Maar aangezien de Heere Jezus niet aan hun aardsgerichte verwachting voldoet, is de stap naar het Weg met Deze! spoedig gemaakt.

Bij de intocht in Jeruzalem weent de Heere Jezus. Wie heeft Zijn prediking geloofd? Hoe menigmaal heeft Hij Jeruzalem willen bijeen vergaderen, gelijk een hen haar kiekens, doch zij heeft niet gewild. De liefde ontbrak. Als rijke jongelingen gingen de godsdienstige Joden bedroefd heen. Men wilde van de Zaligmaker niet leren dat Hij zachtmoedig is en nederig van hart, dat Zijn last licht is en Zijn juk zacht. Zijn juk hebben ze van zich geworpen en verachte liefde kan niet anders dan Gods vreselijke toorn oproepen. Jezus weet dat en daarom weent Hij, ziende op de onbekeerlijke stad. Het oordeel komt. Geen steen zal op de andere gelaten worden.

Jezus’ lijden buiten Jeruzalem

En Hij, dragen Zijn kruis, ging uit, zo vermeld ons Johannes. En wie moet dan niet direct denken aan wat er staat in Hebreeën 13:12: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Waarom? Wat is de betekenis van het feit dat Jeruzalem Jezus buiten werpt? Het woord daarom uit vers 12 wijst terug naar het voorgaande vers. En daar wordt verteld over wat er gebeurde met de resten van het dier, waarvan het bloed op de Grote Verzoendag op het verzoendeksel was gesprenkeld. Wat over was van dat zondoffer, moest buiten de legerplaats verbrand worden. Het bloed was door de hogepriester gebracht in het heiligdom.

Zo heeft Jezus Zijn bloed binnengedragen in het binnenste heiligdom. En de verzoening door Zijn blod was zo volkomen, dat de Heere daarna de weg tot het binnenste heiligdom geopend heeft: het voorhangsel scheurde. Maar zoals het zondoffer ook verbrand moest worden buiten de legerplaats, zo hing de Borg in het vuur van Gods toorn over de zonde. O dood’lijk uur, wat hitte doet Mij branden…

In de Heere Jezus vallen alle beelden samen. Hij is in Zijn uitgang uit Jeruzalem immers ook als de zondebok die de woestijn in werd gestuurd, beladen met de zonde van het volk.

De val van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus

De Joden zijn in het jaar 66 na Christus in opstand gekomen tegen de Romeinen. De stad Jeruzalem werd in bezit genomen en alle Romeinen werden er uit verjaagd. De generaal Vespasianus wordt met een geweldig leger naar Palestina gestuurd. In een drie jaar durende veldtocht wordt het gehele land in bezit genomen. Dan gaat het richting Jeruzalem.

In die tijd sterft keizer Nero en Vespasianus wordt tot keizer uitgeroepen. Deze spoedt zich naar Rome en zijn zoon Titus neemt het bevel over de troepen rond Jeruzalem over. Twee legioenen (een legioen telt zesduizend soldaten) plus nog een aantal legerkorpsen omsingelen in het voorjaar van 70 de stad. Veldheer Titus richt in het noorden, op de heuvel Scopus zijn legerkamp in. Er volgen verschillende aanvallen. Maar de stad valt niet.  Wel komt er een gruwelijke hongersnood, want niets of niemand mag de stad in of uit. De kracht om te verdedigen ontbreekt steeds meer. In de muren zijn bressen geslagen.

Titus wil de wereldberoemde tempel sparen. Keer op keer belooft hij de Joden een eervolle overgave. Ze weigeren. In augustus van het jaar 70 doen de opstandelingen in Jeruzalem weer een uitval naar de Romeinen. Er ontstaat een gevecht. De Romeinen drijven de Joden terug en dringen door tot het tempelgebouw. Op dat moment grijpt een soldaat, zonder een bevel af te wachten, een brandend stuk hout. Hij wordt door zijn kameraden opgetild en slingert het door een venster de tempel binnen, op een plaats waar de vertrekken zijn, die naast het Heilige der Heiligen liggen. Het vuur is niet meer te stuiten. Titus wordt geroepen, soldaten volgen hem, maar in het allesoverheersend lawaai van de brand en de schreeuwende Joden, worden zijn bevelen om de brand te blussen niet verstaan. Zijn soldaten zijn niet meer in bedwang te houden. Een verschrikkelijk bloedbad volgt. De tempel wordt leeggeroofd, maar verreweg de meeste schatten gaan in vlammen op.

Jeruzalem en de tempel zijn veranderd in een rokende puinhoop. Op de ereboog in Rome die gebouwd is ter ere van de overwinning van Jeruzalem door Titus, is nog te zien hoe de gouden kandelaar en de tafel der toonbroden in een zegetocht worden meegevoerd.

Jeruzalem in de twintigste eeuw

In 1917 krijgt Engeland het mandaat over Palestina. Engeland steunt het streven van de Zionisten. Deze beweging, onder leiding van Theodor Herzl, had ten doel de stichting van een Joodse staat en de verstrooide Joden in deze staat bij elkaar te brengen. De immigratie van de Joden naar Palestina neemt dan ook toe. Dertig jaar later besluiten de Britten echter, om zich uit Palestina terug te trekken. De Verenigde Naties stellen een plan op om het land te verdelen in een Joods en een Arabisch gedeelte. Jeruzalem zal dan een internationale stad worden onder toezicht van de VN. Dit plan mislukt.

Op 14 mei 1948 vestigen de Joden de staat Israël. Gelijk daarop wordt de nieuwe staat door alle buurstaten aangevallen. In 1949 wordt een wapenstilstand gesloten. De frontlinies worden tot grenzen verklaard. Dit heeft tot gevolg dat Jeruzalem half Arabisch, half Joods wordt. De stad is verdeeld gebleven tot de Zesdaagse oorlog in 1967. In deze oorlog veroveren de Joden het Arabische gedeelte. Sindsdien is Jeruzalem weer één stad, geheel in handen van Israël.

Hoe de toekomst van de stad eruit zal zien, blijft de grote vraag. Onderhandelingen met de Palestijnen over teruggave van bezet gebied blijven doorgaan. Vele gebieden worden ‘prijsgegeven’ aan de Palestijnen in ruil voor vrede. Of men ook Jeruzalem zal prijsgeven blijft de grote vraag. Want sinds 1967 luidt het: ‘Jeruzalem voor eeuwig de ongedeelde hoofdstad van Israël.’ Het is goed om de ontwikkelingen rond deze stad te volgen. Het is zeker goed om zich niet aan voorspellingen (al dan niet geestelijk) te wagen over Jeruzalem. Een opdracht blijft: Bidt om de vrede van Jeruzalem.

Het nieuwe Jeruzalem

Johannes krijgt van de Heere de heerlijke toekomst te zien, als alle oordelen zullen zijn voltrokken. Hij ziet de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Openbaring 21). En hij ziet de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel als de Bruid van het Lam. De muren liggen in het vierkant, op de twaalf poorten zijn de namen geschreven van de twaalf stammen van Israël. De muur heeft ook twaalf fundamenten met edelstenen versierd. In de fundamenten staan de namen van de twaalf apostelen van het Lam. Een heerlijk beeld wordt ons gegeven van de schoonheid van de stad.

Toch gaat het ten dieptse niet om de stad, niet om de bruid, maar om het Lam! Het centrum van het aardse Jeruzalem was de tempel. Maar in het nieuwe Jeruzalem is God en het Lam de tempel. Hij is het Centrum! Om Hem gaat het in de heilige stad. De zon en de maan zijn niet meer nodig, want de heerlijkheid Gods verlicht haar. Dat is de heerlijkheid waarmee de vuurkolom werd aangeduid, de heerlijkheid die Mozes mocht zien toen hij op de berg was en ook later toen hij vroeg of hij de Heere mocht zien. Het is het licht van Zijn vriendelijk aangezicht in Christus Jezus, Die Zich genoemd heeft het Licht der wereld. Niets onreins zal er in die stad komen, maar alleen zij die geschreven staan in het boek des levens des Lams. De namen daarin zijn geschreven als met het bloed des Lams. Het zijn zij die door genade hebben leren zien op het Lam Gods dat de zonden der wereld wegnam. Die verzoening hebben gevonden in Zijn dierbaar bloed. Zij zijn de Bruid, het nieuwe Jeruzalem!

 

Aantekeningen bij de tekst:

  1. Jeruzalem wordt de stad Davids

2 Samuël 5:6-1
Jebusieten: overgebleven Kanaänieten, die niet waren uitgeroeid na de inname van Kanaän.
Kreupelen en blinden zullen u afdrijven: onze burcht is zo onneembaar, dat zelfs de zwaksten u zullen tegenhouden en verdrijven.
Watergoot: De betekenis hiervan is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk wordt er gedoeld op een geheime watergang. Vanaf de Gihonbron (ten oosten van de stad) was er een tunnel gegraven naar een onder de stad gelegen grot. Zo kon er worden voorkomen dat men tijdens een beleg gebrek aan water zou hebben. Via deze onderaardse gang zouden Joab en zijn mannen de vesting zijn binnengedrongen, waarna de stad veroverd kon worden.

1 Kronieken 11:4-9
Joab: volgens dit vers is Joab degenen geweest die bij de aanval voorop ging, hij was Davids krijgsoverste.

  1. Jeruzalem wordt de stad Gods

2 Samuël 6:12-19
Linnen lijfrok: linnen lendenschort, ook wel efod genoemd, dat hoorde bij de priesterkleding

1 Kronieken 15
Mantel van fijn linnen: het opperkleed. David had waarschijnlijk de slippen hiervan opgebonden, zodat de efod zichtbaar was.

Psalm 24 en 27

  1. Jeruzalem, verwoest onder Nebukadnezar

2 Koningen 25:1-21
2 Kronieken 36:17-21

  1. Terugkeer uit Babel naar Jeruzalem, begin van de herbouw van de tempel

Ezra 1 en 3
Zij bouwden het altaar: Dit is het brandofferaltaar, opdat de gewone offerdienst weer zo hervat kon worden.
Als nu de bouwlieden de grond des tempels leiden: Het fundament werd gelegd, vergelijk bij ons de eerste-steen-legging.
Zij zongen bij beurten: beurtzang, te denken valt aan Psalm 136, gezien ook de woorden die verder in dit vers gebruikt worden.

Haggaï 2:10
De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste. Niet vangwege uiterlijke schoonheid, maar omdat de beloofde Messias in deze tempel zal komen.

  1. Jezus’ intocht in Jeruzalem

Matthéüs 21:1-11
Hosanna: in het OT: Psalm 118: Gezegend is Hij… Vergelijk onze uitroep: Leve de koningin.
De Zonde Davids: In tegenstelling tot de uitroep: Gij Zone Davids, ontferm U mijner is deze aanspraak hier geen geloofsuitroep, maar een blijf van een aards gerichte hoop op de vervulling van het Messiasschap.

Lukas 19:28-44
Johannes 12:12-19

  1. Jezus weggeleid uit Jeruzalem naar Golgotha

Matthéüs 27:32-56
Markus 15:21-41
Lukas 23:26-48
Johannes 19:17-37
Hebreën 13:11-13
Derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats: De lichamen van de dieren van het zondoffer, waarvan het bloed was binnengebracht in het heiligdom op de Grote Verzoendag, moesten buiten de legerplaats verbrand worden. Zie Leviticus 16:27.

  1. Het nieuwe Jeruzalem

Openbaring 21:9-27