Wonen in een stad

Hallo allemaal! Ik ben Joseph en woon mijn hele leven al in Israël. Vandaag ben ik jullie gids. Ik neem jullie mee naar een stad in Israël. Elke stad is weer anders. Jeruzalem is niet Tel Aviv en Tel Aviv is weer heel anders als Haifa. Een bekend gezegde luidt: ‘In Tel Aviv danst men, in Jeruzalem bidt men, maar in Haifa werkt men.’ Maar toch hoop ik dat jullie door deze reis een beeld krijgen van hoe het is om  in een stad te wonen. Kijk maar met mij mee.

Sabra

Ik ben in Israël geboren, daarom word ik een ‘Sabra’ genoemd. Deze naam komt van een cactusvrucht die aan de buitenkant stekelig is, maar aan de binnenkant lekker zacht is en zoet smaakt. De helft van de Israëlische bevolking is: ‘Sabra’.

Heel veel mensen komen uit verschillende landen met verschillende culturen. Deze mensen zijn na 1948 naar Israël gekomen. Toen is immers de staat Israël opgericht. Ongeveer 76% van de bevolking van Israël is Joods, 16 % Islamitisch en 8% behoort tot een andere groep.

Deze mensen hebben ook allemaal hun eigen taal meegenomen. Toch zijn er ook 2 officiële talen in Israël: het moderne Hebreeuws, ook wel Ivriet genoemd (ongeveer 90%) en het Arabisch (ongeveer 45%). Ook spreken heel veel mensen Engels, maar dit is hier niet een officiële taal.

Uniform

Heb je mijn kleding al gezien? Ik kom net uit school. Wij dragen op school allemaal hetzelfde: wij dragen een schooluniform. Iedereen is zo, ondanks de verschillende culturen, gelijk op school. Op straat zie je dus ook heel veel kinderen met zulke kleding lopen. Gelukkig dat de volwassen mensen nog hun eigen kleding dragen. Anders wordt het wel een beetje saai op straat.

‘Hé Joseph! Voetbal je met ons mee?’ ‘Nee, ik ben vandaag gids. Ik heb geen tijd! Een andere keer maar weer!’ In Israël zijn we dol op voetballen, maar ook basketbal is één van onze favoriete sporten.  Daar vermaken we ons wel mee.

Openbaar vervoer

‘Toettoet!’ Dat zijn we wel gewend in de stad. Er rijden heel veel auto’s op de weg. Nou ja, rijden… ze staan ook vaak stil. Je raadt het al… file! En dan maar toeteren. Heel veel kabaal en nogal zinloos. Israëliërs houden er nu eenmaal van om te laten zien dat ze de file niet leuk vinden. Vooral met toeteren. Daarom kun je maar beter het openbaar vervoer nemen. Overal door de stad rijden bussen, met de naam ‘Egged’ erop. Dit is het op één na grootste busbedrijf van de wereld. Daar ben ik wel trots op! Heel veel vaders van mijn vriendjes zijn dan ook buschauffeur.

Ook hebben we treinen in Israël, maar die zie je niet zoveel. Die rijden vooral tussen de grote steden, maar niet in de steden van station naar station. Ook hebben we onze eigen taxi, de sherut. Daar kunnen wel 7 personen mee vervoerd worden. Ze rijden dezelfde routes als een bus, maar deze sherut zit veel fijner.

Vanavond begint de sabbat. Dan heb je pech, want dan rijdt het openbaar vervoer niet. Alles moet dan lopend gebeuren.

Soeks

In de stad zijn er veel verschillen in straten en in gebouwen. Je ziet heel veel flatgebouwen en andere hoge kantoorpanden en hotels. Ook hebben we verschillende musea, theaters, bioscopen, restaurants, cafés en dansgelegenheden in de stad. Vooral Tel Aviv staat daar om bekend.

We hebben ook allemaal kleine straatjes in de stad met oude, soms verwaarloosde huisjes. In die smalle straatjes vind je ook kleine winkeltjes waar je levensmiddelen en souvenirs kunt kopen. Ook zijn er supermarkten.

Israël staat ook  bekend om zijn Soeks. Dat zijn kleine winkeltjes waar Arabische producten worden verkocht.

Hier kun je mooi leer en koper, tapijten, Armeense tegels, bedoeïenensieraden en geborduurde bedoeïenenkleren kopen. Maar ook veel toeristische prulletjes. Om deze spullen te kopen, moet je afdingen. Dat betekent dat je gaat onderhandelen over de uiteindelijke prijs die je wilt betalen. We betalen altijd met de ‘Sjekel’. Vijf shekels hebben een waarde van 6 Europese Euro’s. We hebben briefjes en muntgeld. De centen heten ‘agarot’. Verder hebben we muntjes van 2, 5 en 10 shekalim en briefjes van 20, 50, 100 en 200 shekalim.

In de chaos van straatjes moet je de zwaarbepakte ezels, opdringerige schoenpoetsers en waterdragers ontwijken. Arabische vrouwen lopen heel elegant in geborduurde gewaden met manden en bundels op hun hoofd. Jongetjes lopen met dienbladen ‘Mint Tea’ door de massa zonder een druppel te morsen.

Sabbat

Hé, wat is dat? Wat hoor ik nu? O natuurlijk, het is het geluid vanaf de minaret. De moslims moeten nu gaan bidden in de moskee. Het vrijdagmiddaggebed voor de moslims breekt aan.

Maar ga je nu mee naar de Joodse wijk? Daar is het nu ook al  een drukte van belang. Vanavond begint namelijk de sabbat. De mensen moeten er dan voor zorgen dat ze daar helemaal klaar voor zijn. Het eten moet in huis gehaald worden en bereid worden voor de sabbat (op de sabbat mag je namelijk niet werken en dus ook geen eten koken). Op zaterdagavond, als de sabbat weer is afgelopen, gaat het normale leven weer gewoon zijn gang. De wegen die op de sabbat afgesloten waren, worden dan weer gebruikt.

Kijk, hier zie je een joods winkeltje. Hier hebben ze weer andere soorten winkeltjes. Ze hebben bijv. een soort stalletje, waar ze vooral kruiden en gedroogde vruchten, zoals dadels en abrikozen verkopen. Ze verkopen veel groente en fruit en veel producten hebben een sticker waarop staat dat het koosjer eten is. Dat betekent dat het voedsel afkomstig is van planten of geoorloofde (reine) dieren en is bereid volgens de regels van het jodendom, zoals je die kunt lezen in de Thora ( eerste vijf Bijbelboeken).

Maar ik zie dat het al laat is. Ik had mijn moeder beloofd om de post nog op te gaan halen. Onze post wordt namelijk niet thuis bezorgd, maar je moet het ophalen op het postkantoor, die we Poste Restante noemen. De post wordt dan 30 dagen bewaard. We verwachten een belangrijke brief en het postkantoor is bijna dicht. Ik moet dus opschieten! Ik spreek je wel weer! Ik hoop dat ik een goede gids was en dat je veel geleerd heb! Lehitra'ot!