Altaar en wasvat


Stel je voor dat je, als Israëliet, voor de opengeschoven deur van de voorhof zou staan. Je zag dan meteen voor je het grote brandofferaltaar. Een enorm vuur brandde daarop. Je zou bijna terugdeinzen. En geen wonder: dat vuur beeldt voor de mens die durft te naderen uit hoe groot de toorn van God tegen de zonde is. Zomaar eraan voorbijlopen? Daar viel niet aan te denken!

   Koperen altaar   

Het brandofferaltaar bestond uit een grote bak, vijf ellen lang én breed. Zeg maar 2½ meter in het vierkant. Het altaar, dat drie ellen hoog was, wordt duidelijk beschreven in Ex. 27 en 38. Het moest worden gemaakt van het hout van de acacia (“sittimhout”). Deze boomsoort, die enorm taai was en diepe wortels had, werd veel in de woestijn gevonden. Het hout was, van binnen en van buiten, bekleed met koperen platen. Het kan ook brons geweest zijn. Omdat er vuur op het altaar brandde was er een hittebestendig materiaal nodig. En dat is koper zeker: het kan temperaturen tot wel 1000 graden hebben. Met een houtvuur heeft het dus geen probleem. 

Wij geloven dat alles in de Israëlische eredienst een verwijzing was naar de verzoening door de Messias, Jezus Christus. Zijn Goddelijke natuur, die de toorn over de zonde kan verdragen, werd afgebeeld door het koper, dat het vuur kan verdragen. Zonder dit koper zou het acaciahout (dat wijst op de menselijke natuur van Christus) zijn verteerd.

   Vier hoornen   

Op de hoeken had het altaar vier hoornen. In de Bijbel zijn hoornen vaak een symbool van kracht, waar bijna niets tegen bestand is. Het werk van Christus heeft zo’n reikwijdte dat het de zonden van de hele wereld kan verzoenen. De boodschap van vergeving en verlossing zal ook over de hele aarde (naar de vier windstreken) worden verspreid.
Zolang er nog geen vrijsteden waren, waren deze hoornen ook de plaats waar de niet-moedwillige doodslager heen kon vluchten. We lezen dat bijvoorbeeld van Adónia (1 Kon. 1:50) en Joab (1 Kon. 2:28). Maar voor de laatste heeft dat niet gebaat…

   Transport   

Wat zat er in het altaar? Mozes kreeg in Ex. 20:24-25 de opdracht om een altaar van aarde te maken. Dat was dus de inhoud van het brandofferaltaar. Misschien ook deels gevuld met ruwe stenen. Er mocht immers geen gebruik worden gemaakt van een houweel. Bij het transport zal deze aarde wel zijn achtergelaten. Anders zou het dragen van het altaar vrijwel onmogelijk zijn geweest.


► Priesters bij altaar en wasvat

Het altaar had ongeveer halverwege een koperen rooster (“netwerk”), waarop de offerdieren gelegd moesten worden. Op de hoeken waren ringen aangebracht. Hierdoor werden de draagbomen (ook acacia met koper overtrokken) gestoken. De Israëlieten moesten immers regelmatig naar een andere plaats trekken. In Num. 4 kun je lezen wat er allemaal bij zo’n transport kwam kijken. In vers 14 worden allerlei benodigdheden genoemd die bij het altaar hoorden, zoals vuurpotten, offerschalen (“sprengbekkens”) om het bloed op te vangen, vorken (“krauwels”) en scheppen (“schoffels”) voor de as. Ook allemaal van koper.

   Inwijding   

Bijzonder is wat er gebeurde bij de inwijding van het heiligdom (Lev. 9:24). God Zélf ontstak het vuur op het altaar, zodat het brandoffer werd verteerd. Dit maakte een enorme indruk op de mensen: ze juichten en vielen op hun aangezichten. Het vuur op het altaar moest constant branden (Lev. 6:12). Daarom moest het hout telkens worden aangevuld. De Israëliet die het altaar naderde werd dus voortdurend geconfronteerd met de toorn van God over de zonde.

   Wasvat   

Dichterbij de ingang van de tabernakel (“tent der samenkomst”) stond het koperen wasvat. In Ex. 30 en 38 kun je hierover meer lezen. Het was gemaakt van het koper van de gepolijste spiegels van de vrouwen – zeker uit Egypte meegebracht. Volgens Ex. 38:8 was het een hele toeloop van vrouwen die deze wilden afstaan.

Hoe heeft dit waterbekken eruit gezien?  Men denkt dat het rond is geweest, omdat later bij de tempel van Salomo de koperen zee ook die vorm had (1 Kon 7, 23). De Joden zeggen dat ze het water uit het vat via een put onder het wasvat konden laten weglopen.
De priesters moesten zich in het wasvat reinigen. Handen en voeten, voor elke dienst die ze gingen verrichtten (Ex. 30:18-21). Dit geeft aan dat Gods kinderen, na de reiniging door Jezus’ bloed toch dagelijks van hun zonden moeten worden gewassen.