De tabernakel
Met het volk Israël had God een verbond gesloten bij de
berg Sinaï. Daar werden de Tien Geboden en de andere wetten aan het volk
gegeven. De verschijning van God op deze berg boezemde het volk veel ontzag en
vrees in. Dat is ook geen wonder, want de zondaar kan voor Gods toorn niet
bestaan. Daarom is het ook zo bijzonder dat de Heere Zich nog met dat volk
wilde bemoeien. Sterker nog: Hij had dit volk uitverkoren om bij hen te wonen
en ze uit Egypte te leiden.
Afgoderij
Had het volk dat verdiend? Denk dat maar niet! Ronduit schokkend is wat we lezen in Ezech. 20:6-8. De goden van Egypte werden volop gediend. Het had maar weinig gescheeld of de toorn van God was tegen Zijn volk ontbrand. Maar God deed dat niet, “om Mijns Naams wil” (vers 9). Hij bleek de Getrouwe, Die de belofte aan Abraham niet zou verbreken. De Israëlieten werden wel hard onderdrukt door Farao; ze moesten dwangarbeid verrichten. Ze kermde wel vanwege hun ellendig bestaan, maar ze riepen niet tot God.
► Dwangarbeid in Egypte beeld: FreeBibleimages
Maar toch wilde God naar ze horen (Ex. 2:23-24). En dat terwijl dat volk zelfs nauwelijks besef had van de God van hun vaderen. Immers, wanneer Mozes de opdracht krijgt om het volk uit Egypte te voeren, blijken ze niet eens met de Naam van God bekend te zijn (Ex. 3:13-15).
Genadeverbond
We zien dus dat God met Zijn zegeningen en genade tot de mens wil komen. Terwijl er van de mens uit geen behoefte of verlangen is om God te leren kennen. Zo heeft de Heere ook met Israël gehandeld. Bij de wetgeving op Sinaï sprak Hij: “Ik ben de HEERE, uw God”. En daarna volgden de wetten en geboden. Het is dus niet: Houd eerst maar eens Mijn wetten, en dan wil Ik ook Uw God zijn. Zo is het wel bij veel andere godsdiensten. Daar is het: eerst moet de mens iets doen, bijvoorbeeld een offer brengen. En dan zal de “god” - als beloning - daar wel op reageren met zijn zegeningen.
Maar God openbaart Zijn Verbond van genade. We weten niet hoeveel besef de Israëlieten daarvan gehad hebben. Maar er waren er wel die hun zonden en schuld hadden leren kennen. En ook hebben geweten dat er verzoening met God nodig is.
Gods heiligdom
Het volk Israël zou een lange reis door de woestijn moeten maken. Met daarin veel verleidingen. Want ze zouden zeker in contact komen met andere volken. Bovendien: zelfs trok “veel vermengd volk” (Ex. 12:38) met de Israëlieten mee uit Egypte. Daar ging later ook al geen goede invloed van uit, zoals blijkt uit Num. 11:4. Daarom wilde God dat ze in de woestijn een heiligdom zouden hebben. Zodat ze Hem konden dienen. Aan Mozes werd tot in de kleinste details uitgelegd hoe dat bouwwerk eruit zou moeten zien. Deze tabernakel werd zo ontworpen dat hij tijdens de reis gemakkelijk kon gedemonteerd worden en later weer worden opgezet.
Kostbaarheden
Als je de lange beschrijving van de tabernakel leest in het
boek Exodus (vanaf hoofdstuk 25), dan valt het op hoeveel kostbaar materiaal
(koper, god, zilver enz.) daarvoor nodig is geweest. Waar heeft het volk dat
vandaan gehaald?
Dat is niet zo moeilijk, want in Ex. 12:35-36 staat dat de
Egyptenaren het volk met allerlei kostbaarheden lieten vertrekken. Ze waren natuurlijk opgelucht (na al die plagen) dat de Israëlieten eindelijk het land verlieten.
Maar bovendien waren de Joden tijdens de onderdrukking heel veel tekort
gekomen, zodat het redelijk was dat dit nu werd goedgemaakt. Dat was trouwens al door God aan Abraham voorzegd (Gen. 15:13-14).
► Het volk geeft vrijwillig beeld: FreeBibleimages
Van het volk werd een bijdrage gevraagd voor de tabernakel. De Bijbel noemt dat een hefoffer. Dat moest vrijwillig gebeuren, zo lezen we in Ex. 25:2. Dan volgt een indrukwekkende opsomming: koper, zilver, goud, linnen, hemelsblauwe en purperen stoffen, olie, specerijen – een lange rij. Er werden mannen aangesteld die bekwaam waren om met deze materialen te werken. We lezen van Bezáleël en Ahóliab (Ex. 31), die de leiding over het bouwproject hadden. Uit Ex. 36:4-8 blijkt dat het volk zoveel materiaal voor de tabernakel had aangevoerd, dat men er een ‘stop’ op moest zetten…