Wijn en olie
De teelt van druiven viel eigenlijk niet onder de akkerbouw –
beter is het als ‘tuinbouw’ te beschouwen. De wijnbouw kon (en kun) je veel
tegenkomen in Galilea, op de Karmel en zelfs in de Negev, de droge woestijn.
Wijnranken werden soms over een netwerk van latten geleid,
soms over de grond of over stenen. Veel was mogelijk; soms gaven de wijnranken
zelfs schaduw, net als een vijgenboom (Micha 4:4).
Wijngaard
Druiven waren bestemd voor consumptie, vers of gedroogd als rozijnen. En natuurlijk om er wijn van te maken. Deze werd veel gedronken omdat men niet altijd de beschikking had over betrouwbaar water uit een bron. En water kan in die warme streken gauw bederven.
Een wijngaard was voor de Jood een belangrijk bezit: wijnstok en vijgenboom worden vaak samen genoemd. Later kwam het wel voor dat koningen de wijngaard van een Joods gezin opeisten. Denk aan de wijngaard van Naboth (1 Kon. 21).
Om je wijngaard tegen de wilde dieren te beschermen moest je er een muur omheen zetten. Nog beter was om er een toren in te bouwen (Jes. 5:1-2). Die kon dan dienen als ‘wachtpost’ tegen indringers. Maar ook werd deze gebruikt als verblijfplaats tijdens de oogst van de druiven. Die viel in de late zomer, van juli tot september. Die kon immers wel weken duren.
Wijnpers
Wanneer de druiven geoogst waren moesten ze in de wijnpersbak, om er wijn van te maken. Zo’n bak was vaak uitgehakt in de rotsbodem. Hij werd nogal eens door een heel dorp gebruikt. Dan volgde het ‘treden’ van de wijnpers. Daarbij stampte men met de blote voeten op de druiven, zodat het sap eruit vloeide. Je kon daarbij natuurlijk flink uitglijden. Dus het was zaak om je goed vast te houden, bijvoorbeeld aan een touw. Bij elkaar was dit best een gezellig en vrolijk gebeuren.
Het sap van de druiven ging dan in wijnzakken, gemaakt van dierenhuiden. Het wachten was nu op de fermentatie. Daarbij wordt de suiker in alcohol omgezet. Na zo’n anderhalve maand was de wijn drinkbaar. Niet alleen om er vrolijk van te worden, maar wijn was (vanwege de alcohol) ook een goed ontsmettingsmiddel.
Olijvenoogst
Olie werd verkregen uit de olijfboom. Dat was een knoestige boom, niet bepaald sierlijk om te zien. Het duurde wel meer dan 20 jaar voordat hij echt in ‘topvorm’ was. En was hij beschadigd, dan was hij lastig te herstellen.
► Oude olijfbomen in Gethsemané
Olijfbomen stonden soms afzonderlijk op een erf. Later werden ze ook in groepen geplaatst. Hoeveel waarde men aan een wijnstok en een olijfboom hechtte zie je bijvoorbeeld in Psalm 128, waar ze als bijzondere zegeningen worden aangeduid.
De olijvenoogst viel in het najaar, denk aan de
maanden oktober en november. Dan ging men de boom schudden of tegen de takken
slaan. Als je dat niet zachtzinnig genoeg deed, betaalde je de prijs: een tegenvallende oogst in het volgende
jaar.
Als de olijven flink geplet waren werden ze in de
olijvenpers gedaan. Olijven zijn taaier dan druiven, dus moest er meer kracht
aan te pas komen om de olie eruit te krijgen. In de olijvenpers zat een zware
steen die aan een lange stok werd rondgedraaid. De olijven konden geen kant op
en zo werd de kostbare olie eruit geperst.
Olijfolie
Olie werd voor veel doeleinden gebruikt. Hij was nodig voor de bereiding van voedsel. Denk aan de weduwe te Zarfath (1 Kon. 17:14). Verder werd olie gebruikt voor wondverzachting, huidverzorging en de offers in de eredienst.
Olie en wijn speelden dus een grote rol in het dagelijkse leven. Johannes op Patmos hoorde (midden in een visioen over een hongersnood) zeggen: “Beschadig de olie en de wijn niet” (Op. 6:6). Dat zegt genoeg!