Naamgeving


De naam van een jongetje werd gewoonlijk bij de besnijdenis bekendgemaakt. We weten dat van Johannes de Doper (Luk. 1:59) en Jezus (Luk. 2:21). Een meisje kreeg soms haar naam reeds op de eerste sabbat na de geboorte.

   Betekenis   

Welke namen werden gegeven? Het waren niet zozeer namen die 'in de mode' waren, zoals tegenwoordig. Aan de betekenis van een naam werd veel waarde gehecht. We lezen in de Bijbel regelmatig dat de naam in verband stond met de omstandigheden rond de geboorte. Enkele voorbeelden?

Eva noemde de naam van zijn zoon Seth (“vervanging”) omdat deze als het ware in de plaats kwam van Abel. Lamech had veel vertrouwen op God en noemde zijn kind Noach (“troost”). Mozes (“uit het water getrokken”) kreeg zijn naam van een Egyptische prinses. Hanna noemde haar zoon Samuël (“van de Heere gebeden”).
Izak noemde zijn zonen: Jakob (“hielhouder”) en Ezau (”behaard”). Nadat Ezau zijn eerstgeboorterecht had verkocht werd hij genoemd Edom (“rood”).


► Ezau verkoopt zijn eerstgeboorte

Je kon het kind ook naar een dier noemen. Dat was het geval met Debora (“bij”), Jona ("duif”) en Kaleb (“hond”). En in het Nieuwe Testament bij Dorkas (“gazelle”) en Aquila (“arend”).

Soms was de naam van het kind door God voorgeschreven. Dat zien we bij Ismaël (Gen. 16), Izak (Gen. 17), Jizreël (Hos. 1), Johannes de Doper en Jezus (Luk. 1).

   Religieuze namen      

Vaak laat een naam de verbondenheid met God zien. Zo'n naam herken je aan een woorddeel, zoals “el”, “ia” of “ja”. Een kleine opsomming:

  • Elisa = Mijn God is Redder
  • Elimelech = God is Koning
  • Hizkia = God sterkt
  • Zefanja = God beschermt
  • Zedekia = God is mijn gerechtigheid

Dat laatste voorbeeld laat zien dat lang niet altijd de naam in overeenstemming is met het karakter van de persoon; Zedekia was een goddeloze koning.

   Grieks en Latijn   

In het Nieuwe Testament, dat in het Grieks is geschreven, ontmoeten we juist veel namen in het Grieks en Latijn. Dat is niet vreemd, want het Latijn was de taal van de Romeinen.

Soms waren dat variaties op een Hebreeuwse naam. Simeon werd dan ‘vergriekst’ tot Simon, Hananja tot Ananias, Eleazar tot Lazarus en Jesua (of Jozua) tot Jezus. In het geslachtsregister van Matth. 1 zie je dat duidelijk. Best lastig om uit het Grieks de Hebreeuwse naam te ontwarren. Wist je dat Fares dezelfde is als Perez? En Ozias niemand anders dan koning Uzzia?

Joden die het Romeinse burgerrecht bezaten moesten ook een Latijnse naam aannemen. Denk maar aan Paulus, die in het Hebreeuws de naam Saul had (Hand. 9:4).

   Oorsprong   

Net als in ons land is het niet altijd mogelijk uit de naam af te leiden tot welke nationaliteit iemand behoorde. Bij ons is een Sven niet automatisch een Zweed en komt Bianca waarschijnlijk niet uit Italië…
Onder de apostelen kennen we Andreas (“de manlijke”) met een Griekse naam en Filippus (“paardenliefhebber”) met een Latijnse naam.

Soms kon je uit een naam afleiden waar iemand vandaan kwam. Judas Iskariot (“man van Kerioth”) verraadt daardoor zijn geboorteplaats. En ook Maria Magdalena, die afkomstig was uit Magdala.

   Vernoemen   

De gewoonte om een kind te vernoemen komen we in de Bijbel eigenlijk niet tegen. Misschien werd het tijdens het Nieuwe Testament wel gedaan. We lezen immers van Johannes dat men het vreemd vond dat hij niet de naam van zijn vader of van een ander familielid kreeg (Luk. 1:61).
We ontmoeten wel iemand die waarschijnlijk naar zijn opa is vernoemd. Kennelijk heeft generaal Abner een zoon gehad die hij Ner noemde. De naam Abner betekent namelijk: “vader van Ner”. En we lezen dat de vader van Abner óók Ner heeft geheten (1 Sam. 14:51).

   Wist je dat...   

... je in de namen van hedendaagse Joden nog vaak (en vaag) de Bijbelse oorsprong kunt herkennen? Denk aan: Mosje = Mozes, Eitan = Ethan, Yitschak = Izak, Chawwa = Eva, Rivka = Rebekka en Tzipi = Zippora.