Wonen


   … in een kibboets   

Als je in een kibboets wilt wonen, moet je naar Israël verhuizen, want alleen daar zijn er kibboetsen. Maar wat is een kibboets eigenlijk en waarom staan ze juist in Israël? We willen iets vertellen over het leven in een kibboets, zonder dat je ervoor naar Israël hoeft.

Al in de 19e eeuw zijn er overal ter wereld Joden die graag in een Joods land willen wonen. Een groep Joodse mensen, de Zionisten, bedenkt plannen om het land van Israël steeds meer Joods te maken. Ze kopen in 1904 grond in Palestina. Zo heette Israël toen nog. Daar komt vier jaar later een school met opleidingen voor Joden uit Oost-Europa. Op die school probeert men andere manieren van leven uit.

De Oost-Europese immigranten zijn teleurgesteld in de regering en de politiek en bedenken daarom een manier van leven waarbij iedereen gelijk is. Ze denken: als iedereen gelijk is en je alles samen deelt, zal er vrede en gerechtigheid ontstaan. Deze gedachte gaan ze verder ontwikkelen en zo ontstaat er langzamerhand het idee om gemeenschappen te stichten, waarbij de bewoners samen wonen en werken en het geld dat ze verdienen eerlijk onder elkaar verdelen. In 1910 is het zover: de eerste kibboets wordt opgericht: Degania, dicht bij het Meer van Tiberias. De bekende Israëlische generaal Moshe Dayan is hier geboren.

Een kibboets is een soort dorp en bedrijf tegelijk. Het ligt vaak midden in de natuur. Er staan huizen en ook altijd een groot gemeenschappelijk gebouw waarin geleefd wordt. Daaromheen zijn landerijen of een wijngaard. Daar werken de mensen die in de kibboets leven. Een kibboets heeft een gemeenschappelijke ruimte waarin samen gegeten wordt. Er is ook een grote keuken waar voor de hele gemeenschap gekookt kan worden. De bewoners leven en werken dus bij en met elkaar.

   Het leven en de bewoners   

De bewoners die in de eerste kibboets wonen, leven daar eigenlijk dag en nacht. Ook hun werk doen ze op de kibboets. Dat wordt onderling verdeeld.

De dieren worden verzorgd en de huizen en gebouwen worden onderhouden door de bewoners zelf. Ze werken op het land en zorgen voor inkomsten. Het bijzondere van een kibboets is, dat de inkomsten samen gedeeld worden. Iedereen is gelijk en de inwoners samen. Je bent nooit alleen. De bewoners staan altijd voor elkaar klaar. ’s Avonds eten alle leden van de kibboets samen een maaltijd die een paar inwoners gekookt hebben. Ook de avond brengen ze vaak gezamenlijk door.

Later verandert dat. Na 1990 gaan de bewoners van de kibboets steeds meer op zichzelf wonen en delen niet meer alles met elkaar, zoals in het begin. De kibboetsen zijn steeds meer op kleine dorpen en echte bedrijven gaan lijken, maar nog steeds zorgen de mensen voor elkaar, wanneer dat nodig is.

Toen de kibboetsen nog maar net bestonden, waren de meeste inwoners Joods. Later kwamen er steeds meer niet-Joodse inwoners bij. Ook buitenlanders die een poosje in Israël wilden wonen en werken gingen vaak als vrijwilliger in een kibboets werken. De bewoners van een kibboets heten kibboetsniks. Vroeger woonden er ook kinderen in een kibboets, maar nu niet meer.

   ... in een mosjav   

Hoi, ik ben Calev, 12 jaar oud. Ik ga je iets vertellen over de plek waar ik woon. Ik woon namelijk in een mosjav in het land Israël. Die naam betekent letterlijk: dorp of stoel. Het is dus een soort dorp waar wel 60-100 families bij elkaar wonen.

Eigenlijk lijkt een mosjav wel wat op een kibboets, maar het verschil is dat bij een mosjav iedereen gewoon zijn eigen huis (vaak een boerderij), een stuk eigen land en zijn eigen dieren heeft. Maar we delen wel onze landbouwmachines en een stuk van ons land. Eigenlijk moet je het zo zien: iedereen heeft drie delen. Deel 1: huis en dieren, deel 2: een stuk land dat van jou alleen is (van mijn vader dus) en deel 3: dat is van iedereen. Met elkaar zorg je voor het stuk land en de opbrengsten worden onder elkaar verdeeld.

Weet je wat ik nu zo fijn vind aan de mosjav? Als mijn vader ziek zou worden, zodat hij niet meer kan werken, dan helpen de vaders van mijn vriendjes gewoon mee om toch het koren van het veld te halen of om de akker te ploegen. Ik zou dan ook nooit ergens anders willen wonen. Hier helpen we elkaar echt en dat zorgt voor een hechte band!

   Geschiedenis van de mosjav

Maar nu iets over de geschiedenis van de mosjav. In het jaar 1921 ontstond de eerste mosjav in de buurt van Nazareth. Dit gebeurde tijdens het Britse mandaat. Dus in de tijd, dat de Turken uit Palestina verdreven waren en de Engelsen voor het land zorgden. In die tijd kwamen ook veel immigranten naar Israël. Deze gingen in mosjavs wonen.

Mosjavs waren eigenlijk stukken land die door de overheid apart waren gezet. Immigranten konden zo’n stuk land huren voor een klein bedrag, voor 49 jaar. Zoals gezegd, had je in een mosjav een deel voor jezelf en een deel samen met de anderen.

Die maatregel nam de overheid niet voor niks! Hierdoor hechtten de mensen zich aan het land én aan elkaar. Aan het einde van die 49 jaar mochten zij hun huur verlengen. Vaak deden mensen dit voor de rest van hun leven en nam hun zoon het weer over. In totaal zijn er nog een paar honderd mosjavs in Israël.

Nu nog even over de inkomsten, want jij snapt ook wel dat wij kleren en eten nodig hebben. Een deel van de grond is van iedereen. De gewassen die hierop verbouwd worden (zoals tarwe en graan) worden verkocht. Dit geld wordt verdeeld en samen met de gewassen die we op onze eigen akker (deel 2) verbouwen, kunnen wij genoeg kopen. Jammer genoeg is er bij ons wel een verschil tussen rijk en arm. Maar daar ben je voor met elkaar. We helpen elkaar er gewoon doorheen! 

   … in een stad   

Hallo allemaal! Ik ben Joseph en woon mijn hele leven al in Israël. Vandaag ben ik jullie gids. Ik neem jullie mee naar een stad in Israël. Elke stad is weer anders. Jeruzalem is niet Tel Aviv en Tel Aviv is weer heel anders dan Haifa. Een bekend gezegde luidt: ‘In Tel Aviv danst men, in Jeruzalem bidt men, maar in Haifa werkt men.’ Maar toch hoop ik dat jullie door deze reis een beeld krijgen van hoe het is om in een stad te wonen.

Ik ben in Israël geboren, daarom word ik een ‘sabra’ genoemd. Deze naam komt van een cactusvrucht die aan de buitenkant stekelig is, maar aan de binnenkant lekker zacht is en zoet smaakt. Zo’n beetje driekwart van de Israëlische bevolking is ‘sabra’.

Mensen komen uit allerlei landen met verschillende culturen. Deze zijn na 1948 naar Israël gekomen. Toch zijn er twee officiële talen in Israël: het moderne Hebreeuws, ook wel Ivriet genoemd (ongeveer 90%) en het Arabisch (ongeveer 45%). Ook spreken heel veel mensen Engels.Heb je mijn kleding al gezien? Ik kom net uit school. Wij dragen op school allemaal hetzelfde uniform. Iedereen is zo, ondanks de verschillende culturen, gelijk op school. Op straat zie je dus ook heel veel kinderen met zulke kleding lopen.

   Openbaar vervoer   

In de stad is het een drukte van belang. Veel auto’s op de weg. Rijden en dan weer stilstaan. En maar toeteren. Heel veel kabaal en nogal zinloos. Israëliërs houden er nu eenmaal van om te laten zien dat ze de file niet leuk vinden. Daarom kun je maar beter het openbaar vervoer nemen. Overal in de stad rijden de groene bussen met de naam ‘Egged’ (= verbondenheid) erop. Dit is het op één na grootste busbedrijf van de wereld. Daar ben ik wel trots op! Heel veel vaders van mijn vriendjes zijn dan ook buschauffeur.

Treinen zie je niet zoveel. Die rijden vooral tussen de grote steden. Ook hebben we onze eigen taxi, de sherut. Daar kunnen wel 7 personen mee vervoerd worden. Ze rijden dezelfde routes als een bus, maar deze sherut zit veel fijner.

Vanavond begint de sabbat. Dan heb je pech, want dan rijdt het openbaar vervoer niet. Alles moet dan lopend gebeuren. Tenzij je in Haifa woont, want daar gaat alles gewoon door…

   Soeks   

In de stad zijn er veel verschillen in straten en in gebouwen. Je ziet heel veel flatgebouwen en andere hoge kantoorpanden en hotels. Ook hebben we verschillende musea, theaters, bioscopen, restaurants, cafés en dansgelegenheden in de stad. Vooral Tel Aviv staat daar om bekend. Ze noemen Tel Aviv niet voor niets “de stad die nooit slaapt”.

We hebben ook allemaal kleine straatjes in de stad met oude, soms verwaarloosde, huisjes. Daar vind je ook winkeltjes waar je levensmiddelen en souvenirs kunt kopen. Ook zijn er supermarkten. Israël staat ook  bekend om zijn Soeks: kleine winkeltjes waar Arabische producten worden verkocht.

Hier kun je mooi leer en koper, tapijten, Armeense tegels, bedoeïenensieraden en geborduurde bedoeïenenkleren kopen. Maar ook toeristische prulletjes. Om deze spullen te kopen, moet je afdingen. Dat betekent dat je gaat onderhandelen over de uiteindelijke prijs die je wilt betalen. We betalen altijd met de ‘shekel’. Een shekel heeft een waarde van ongeveer 30 eurocent. We hebben briefjes en muntgeld. De centen heten ‘agorot’. Verder hebben we muntjes van 2, 5 en 10 shekalim en briefjes van 20, 50, 100 en 200 shekalim.

In de chaos van straatjes moet je de zwaarbepakte ezels, opdringerige schoenenpoetsers en waterdragers ontwijken. Arabische vrouwen lopen heel elegant in geborduurde gewaden met manden en bundels op hun hoofd. Jongetjes lopen met dienbladen ‘Mint Tea’ door de menigte zonder een druppel te morsen.

   Sabbat   

Hé, wat is dat? Wat hoor ik nu? O natuurlijk, het is het geluid vanaf de minaret. De moslims moeten nu gaan bidden in de moskee. Het vrijdagmiddaggebed voor de moslims breekt aan.

Maar in de Joodse wijk is het nu ook al een drukte van belang. Vanavond begint namelijk de sabbat. De mensen moeten er dan voor zorgen dat ze daar helemaal klaar voor zijn. Het eten moet in huis gehaald worden en bereid worden voor de sabbat. Op de sabbat mag je namelijk niet werken en dus ook geen eten koken. Op zaterdagavond, als de sabbat weer is afgelopen, gaat het normale leven weer gewoon zijn gang. De wegen die op de sabbat afgesloten waren, worden dan weer gebruikt.

Hier hebben ze weer andere soorten winkeltjes. Ze hebben bijvoorbeeld een soort stalletje, waar ze vooral kruiden en gedroogde vruchten, zoals dadels en abrikozen verkopen. Ze verkopen veel groente en fruit en veel producten hebben een sticker waarop staat dat het ‘koosjer’ eten is. Dat betekent dat het voedsel afkomstig is van planten of geoorloofde (reine) dieren en is bereid volgens de regels van het jodendom, zoals je die kunt lezen in de Thora (de Wet van Mozes, dus de eerste vijf Bijbelboeken).

Maar ik zie dat het al laat is. Ik had beloofd om de post nog op te gaan halen. De post wordt namelijk niet thuisbezorgd, maar je moet die ophalen op het postkantoor, dat we ‘Poste Restante’ noemen. De post wordt dan 30 dagen bewaard. We verwachten een belangrijke brief en het postkantoor is bijna dicht. Ik moet dus opschieten! Ik spreek je wel weer! Ik hoop dat ik een goede gids was en dat je veel geleerd heb! Lehitra'ot! Je snapt wel dat dit betekent: “Tot ziens!”