Hond
Tientallen keren wordt dit dier in de Bijbel genoemd. Een
bekend en vertrouwd huisdier? Denk dat maar niet, want de meeste voorkomende
honden in Palestina hadden geen ‘baasje’.
Zwerfdieren
Als je aan onze herdershonden denkt, dan heb je ongeveer een beeld van hoe honden in vroeger tijden eruit zagen. Het waren vaak verwilderde dieren, die maar wat rondzwierven en gromden en blaften tegen vreemden. Bij de tiende plaag in Egypte waren de Israëlieten veilig achter het bloed van het lam; zelfs geen hond zou zijn “tong verroeren”, zegt Ex. 11:7. Nou, en die beesten lieten zich bij het minste of geringste horen. Het lijkt of de honden bij Israël als een soort ‘vuilnisophaaldienst’ werden gebruikt. Als de Joden vlees van een verscheurd dier aantroffen, moesten ze dat aan de honden geven (Ex. 22:31).
We krijgen de indruk dat honden veel in de steden en dorpen rondhingen en, net als varkens, niet zo kieskeurig waren in wat er te eten viel. In 2 Kon. 9:10 is te lezen dat de honden de goddeloze koningin Izebel zouden eten. Honden waren dus, zoals ook aasgieren, op zoek naar kadavers. Het is daarom treffend dat Jezus zegt van de arme Lazarus, dat de honden bij hem kwamen om zijn zweren te likken (Luk. 16:21). Als dat bij een zieke gebeurt, dan is dat voor het slachtoffer een teken dat de dood dichtbij is gekomen. Paulus gebruikte het woord “hond” ook om de dwaalleraars aan te duiden (Filipp. 3:2).
Niet positief
Er wordt dus bijna altijd ongunstig en verachtelijk over honden (onreine dieren) gesproken. Zelfs Goliath, de Filistijn, zegt tegen David: “Ben ik een hond?” (1 Sam. 17:43). En denk ook aan Mefiboseth, die zich tegenover de koning een “dode hond” noemt (2 Sam. 9:8). De volken buiten Israël wisten heel goed dat ze door de vrome Joden als honden werden beschouwd.
De Kananese vrouw uit Matth. 15:27 zegt tegen Jezus (nadat Hij haar een ‘hond’ had genoemd), dat de honden ook eten van de brokjes die van de tafel van hun baas vallen. Blijkbaar werden toen in het buitenland soms honden als huisdier gehouden.