Schapen hoeden


De Israëlieten hadden, toen ze in Kanaän kwamen, niet helemaal hun zwervende bestaan vaarwel gezegd. Ze woonden wel vooral in dorpen en steden, maar het houden van schapen bleef belangrijk.

   Kleinvee   

Schapen waren ‘producenten’ van wol en vlees; denk maar aan de viering van het Pascha (Ex. 12:5). Maar laten we ook de geiten niet vergeten. Vaak namen de Joden schapen én geiten mee in de kudde; dat noemde men: het kleinvee. De geiten liepen dan vóór de schapen uit (Jer. 50:8). Ze waren wat minder kieskeurig, ze aten ook bladeren. Als je ze hun gang liet gaan konden ze een groot gebied kaalvreten.
Geitenhaar werd gebruikt bij het weven. De huid van het dier leverde een goede kwaliteit leer. En ook gaf het dier een beste hoeveelheid melk. In het boek Spreuken (hoofdstuk 27, aan het eind) lees je hoeveel waarde er aan een kudde werd gehecht.

    Schaapskudde   

In het voorjaar trok de herder erop uit. De dieren aten de restanten van de graanoogst, of anders het gras, als er tenminste voldoende water was. Was de kudde klein, dan werd het hoeden overgelaten aan de jongste zonen. Dat weten we van David.


► Herder in de omgeving van Nazareth

De schapen stonden voortdurend bloot aan gevaren: wilde dieren, zoals leeuwen en beren. David had daar als herder wel mee te maken gehad (1 Sam. 17:24). Soms werd een schaap door een wild dier verscheurd. Maar in de wet stond dat je dan altijd een restant van dat schaap aan de rechtmatige eigenaar moest laten zien. Die wist dan dat je er alles aan had gedaan om het roofdier te verjagen. Anders moest je de schade vergoeden (Ex. 22:13; Amos 3:12). Zonder deze wet zou een (slechte) herder in de verleiding kunnen komen om één of meerdere schapen van de kudde te verkopen. En dat zal zeker wel eens gebeurd zijn…

   Herdersuitrusting   

Een knuppel (de “stok”) was dan ook een belangrijk attribuut van de herder. En ook de slinger, waarmee hij een afgedwaald schaap weer bij de kudde kon halen.

Om zijn tocht gemakkelijker te maken had hij een staf; denk aan de bekende Psalm 23. Die staf werd ook gebruikt om elk tiende schaap te markeren, dat aan God moest worden afgestaan. Dat lees je in Lev. 27:32. Olie had de herder altijd bij zich, om een gewond schaap te kunnen verzorgen.

   Zwaar beroep   

Na een lange dag werden de schapen naar hun kooi geleid. Een grot was daarvoor een veilige plek. In het open veld werd een ring van stenen om de schaapskooi gelegd. De herder ging dan in de opening liggen. Denk aan de gelijkenis van Jezus, waarin Hij zegt: “Ik ben de Deur der schapen” (Joh. 10:7).
Een goede herder kon zijn schapen leiden met zijn stem, zoals ook Jezus zegt. En dat zelfs als er schapen van meerdere kuddes door elkaar liepen.

Een aantrekkelijk beroep: schaapherder? Je zou zoiets ook wel willen? Altijd in de vrije natuur? Maar pas op: de herder had een heel zwaar leven. Voortdurend op zijn hoede zijn voor gevaren. Overdag moest hij zich beschermen tegen de felle zon, in de nachten kon het wel vriezen (Gen. 31:40). Een dikke jas van kamelenhaar was dan niet overbodig!

   Schapen scheren   

Bij het schapen scheren werden de dieren verlost van hun zware 'winterbepakking'. Dat was in het oude Israël groot feest. Voorname gasten werden soms gevraagd, zoals we lezen in 2 Sam. 13:23 van Absalom, die al de prinsen uitnodigde. Maar dat eindigde allemaal met de moord op Amnon. Dat was niet zo feestelijk, helaas…

► Wil je nog wat meer te weten komen over geiten en schapen? Klik dan hier.