Bijbelse geschiedenis


   Het volk Israël   

Het verbond van God met Abraham (vader van alle gelovigen), een nakomeling van Seth, is gesloten ongeveer 1900 v. Chr., toen hij 80 jaar oud was.

Hij ontvangt dan de belofte dat hij een land zal krijgen waar hij en zijn nakomelingen zullen gaan leven. Abram gaat op reis richting dat land, vanuit Ur der Chaldeeën, ook al weet hij nog niet waar het is en hoelang de reis zal duren. Dit verbond is bevestigd met Izak (geboren rond 1900 v. Chr.) en Jacob (geboren rond 1830 v. Chr.).

Een van de zonen van Jakob, Jozef, wordt als slaaf verkocht naar Egypte. Hij verklaart uiteindelijk een droom van de Farao, waardoor hij onderkoning wordt. Hij kan hierdoor zijn familie laten wonen in een provincie van Egypte, Gosen (1708 v. Chr.). Daardoor blijft het volk van God in leven en komt het niet om van de honger.

   Uittocht en intocht   

Na de dood van Jozef wordt het volk Israël steeds meer onderdrukt. Mozes, geboren rond 1570 v. Chr., is de man die de opdracht krijgt van de Heere het volk Israël uit Egypte te leiden naar het beloofde land, toen genoemd Kanaän (ongeveer 200 jaar na de dood van Jozef).

Nadat het volk uit Egypte is weggegaan (toen al 625.000 mensen!), moeten ze veertig jaar in de woestijn leven omdat ze niet geluisterd hebben naar God.

De inname van het land begint met de verovering en verwoesting van de steden Jericho en Ai. De opdracht van God is om de inwoners van Kanaän te doden, waarmee ze gestraft worden voor hun zonden. Rond 1450 v. Chr. heeft Jozua, de nieuwe leider na Mozes, de vijf koningen van Kanaän verslagen tijdens een veldslag.

   Richteren   

Na de inname van het land brekt een moeilijke periode aan. Het volk kiest afwisselend voor God en de afgoden. Hierdoor wordt het land diverse keren aangevallen en leeggeroofd door de omliggende volken, zoals de Filistijnen. De richter (leider van het volk na de dood van Jozua) bevrijdt het volk van God vervolgens weer van de vijand.
De Richteren (of: Rechters) regeren in het land tussen 1430 v. Chr. tot 1100 v. Chr. De bekendste richters zijn: Gideon, die de Midianieten overwon en Simson, die de Filistijnen versloeg.

   Koningen en profeten   

Tijdens de regering van de laatste richter, Samuel, wil het volk een koning, net als de andere volken. Samuel zalft vervolgens de eerste koning, Saul. Hij voert veel oorlog, overwint veel volken, maar leeft niet zoals God het wil. Daarom wordt hij gestraft en wordt een ander tot koning gezalfd, namelijk David.

Na David regeert Salomo (geboren in 1033 v. Chr.), die Israël tot een welvarend (rijk) land maakt waar vrede is. Ook bouwt hij de tempel, het belangrijkste gebouw uit de Joodse geschiedenis.

Tijdens de regering van de koningen ziijn er profeten in het land, die beloftes en waarschuwingen aan het volk vertellen, en ook wonderen verrichten. Elisa verricht twaalf wonderen, waaronder het opwekken (van dood levend maken) van een jongen. Andere profeten zijn bijvoorbeeld: Jesaja, Jona, Obadja, Zacharia en Elia.

   Ballingschap en terugkeer   

Na de dood van Salomo wordt het koninkrijk van Israël verdeeld: aan de ene kant (tien provincies) regeert Jerobeam (het koninkrijk van Israël), de andere twee provincies (Juda en Benjamin) worden geregeerd door Rehabeam (het koninkrijk Juda). Meerdere keren worden ze aangevallen. In 722 v. Chr. wordt het 10-stammenrijk weggevoerd naar Assyrië.

In 586 v. Chr. komt het einde van de onafhankelijkheid van Israël. Jeruzalem wordt ingenomen, stad en tempel verwoest. Veel Inwoners worden weggevoerd naar Babylon.

Vijftig jaar later geeft Kores, de koning van de Meden en Perzen, de Joden toestemming om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen.  Vanaf dit moment komen er telkens Joden terug naar het beloofde land, tot de dag van vandaag.