Huisvesting


Tegenwoordig weten we niet beter of de huizen zijn vaak royaal en comfortabel. Maar in de Bijbelse tijd (en ook nu nog wel in het Midden-Oosten) was dat heel anders.

   Tenten en grotten   

Veel mensen in de Bijbel in de Bijbel – zeker in de vroege tijd – trokken met hun familie en kudden van oase naar oase. Zij woonden dan in tenten, met kleden van geitenhaar. Je kon ze makkelijk inklappen en dan weer op een andere plaats neerzetten. Een soort nomaden dus. Zo moet je je dat voorstellen in de tijd van de aartsvaders. Als het nodig was kon je ook terecht in een grot. Denk maar aan Lot, die in een spelonk ging wonen. De Edomieten vestigden zich zelfs in een rotsachtig gebied ten zuiden van de Dode Zee.

   Huizen   

Toen de Israëlieten in Kanaän woonden bouwden ze meer permanente huizen. Maar, door onze ogen gezien, nog heel primitief. De muren bestonden soms uit ongebakken klei. Deze waren vaak van slechte kwaliteit. Ongedierte kon zich erin verschuilen. Bijvoorbeeld lees je in Amos 5:19 dat je in je eigen huis door een slang kon worden gebeten, als je tegen de muur leunde! En hoewel er weinig te halen was, ook inbrekers konden gemakkelijk door de zachte muren binnenkomen. En door de muur naar buiten kon ook, zoals je leest in Ezechiël 12:5.
Later gebruikte men ook stenen van gebakken klei, en dat was een hele vooruitgang. Vanaf de tijd van Salomo kon men ook gebruik maken van ijzeren gereedschap om de stenen te bewerken.

   Arm en rijk...   

Eenvoudige mensen hadden eigenlijk maar één kamer, waarin alles gebeurde: werken, eten, slapen, verzorging van de dieren. En dat zonder meubilair! Om de warmte van de zon tegen te houden waren er maar een paar kleine raampjes – zonder glas natuurlijk.
Bij het slapen wikkelde men zich in zijn eigen kleed; dat lees je in Exodus 22:26-27. Rijkere mensen hadden later wel dekens. Maar hun huizen zagen er dan ook anders uit! Die waren gebouwd rondom een hof (binnenplaats), met twee of drie verdiepingen.

   Op het dak   

En het dak? Dat werd gemaakt van takken, die met aarde en modder aan elkaar zaten. Echt waterdicht kun je dat niet noemen. Salomo wist dat ook: je moet het dak onderhouden, anders krijg je wateroverlast in huis (Pred. 10:18). Op de daken groeide ook van alles: ze zagen er vaak groen uit vanwege het gras (Ps. 129:6). Later was dat alles veel beter. Denk maar aan de verlamde man die door zijn vrienden via het dak werd neergelaten. En door Jezus werd genezen!

Het platte dak op het huis werd veel gebruikt; het was een geliefde slaapplek bij warm weer. Om ongelukken te voorkomen waren de Joden verplicht om er een leuning omheen te maken, volgens Deut. 22:8.

   Verlichting en vuur   

Als er onvoldoende licht naar binnen kwam door de ramen of de (vaak openstaande) deur, dan kon een olielampje helpen. Daarvoor gebruikte men olijfolie. De welgestelden konden zich een echte kandelaar veroorloven.
In Handelingen 20 lezen we van een jongeman (Eutychus) die tijdens een preek van Paulus in slaap was gevallen en uit het raam tuimelde. In de zaal brandden veel lampen, die allemaal zuurstof nodig hadden. De atmosfeer was dus warm en bedompt. En de ventilatie zal ook niet optimaal zijn geweest. Is deze jongen misschien bevangen door koolmonoxidevergiftiging? Onmogelijk is dat niet…

Vuur was ook nodig. Om jezelf warm te houden, maar ook om het eten te bereiden. Als brandstof kon je kiezen: gras, takken, doornstruiken, houtskool. Hiervoor maakte men meestal een gat in de grond. Stel je eens voor hoe dat moet zijn geweest: de meeste huizen hadden geen schoorsteen! 

   Wist je dat?   

Het aansteken van vuur was niet zo gemakkelijk; men kende geen lucifers. Een oplossing was het hout van een plant, de witte brem. Dit hout, dat veel olie bevat, kan heel lang blijven gloeien, zodat de mensen bijna altijd vuur tot hun beschikking hadden. In de Statenvertaling wordt hier gesproken van “gloeiende jeneverkolen” (Ps. 120:4).