Huwelijk
Het gezin nam in het oude Israël een belangrijke plaats in.
En in dat gezin had de vader het zo ongeveer voor het zeggen.
De man kon eigenlijk alles als zijn eigendom beschouwen: zijn huisraad, zijn schapen en geiten. En ook zijn vrouw en kinderen. Zijn vrouw kon hij – als hij dat wilde – wegsturen, zijn dochters als slavin verkopen (Ex.21:7).
Bruidsprijs
Een man die wilde gaan trouwen moest aan de familie van de vrouw een 'bruidsprijs' betalen. Na het huwelijk raakte men haar immers kwijt als werkkracht. Daar moest dus wat tegenover staan! Aan de andere kant kreeg de bruid ook wel het nodige mee van haar eigen familie, in de vorm van geld of goederen (zie Rich. 1:13-15). Dat heette een ‘bruidsschat’. Dan had de vrouw tenminste nog iets wanneer het onverhoopt tot een scheiding zou komen.
In Gen. 24:67 lees je dat Izak Rebekka tot vrouw nam, “en hij had haar lief”. Wij kijken hier wat vreemd tegenaan: maar in het Oosten was dát vaak de volgorde. De vader van de bruidegom kon de keuze van een bruid regelen zonder dat hij er zelf inspraak in had.
Bruiloft
Men trouwde vaak jong: een man werd meestal vader vóór zijn twintigste. Jakob, die de zeventig al dik gepasseerd was, behoorde dus tot de uitzonderingen. Een huwelijk binnen de familie was ook aantrekkelijk; denk aan Izak en Rebekka.
Ongeveer een jaar voor het huwelijk, bij de ondertrouw,
begonnen al de voorbereidingen: het inrichten van het huis, het maken van de
trouwkleding. Op de trouwdag zelf haalde de bruidegom zijn geliefde op vanuit
haar eigen huis.
► De wijze en dwaze maagden beeld: www.gospelimages.nl
Dan volgde er een feestelijke optocht met bruidsmeisjes naar
de nieuwe woning van het echtpaar. De weg werd verlicht door olielampjes die de
meisjes bij zich droegen. Je denkt nu vast aan de gelijkenis van de wijze en
dwaze maagden (Matth. 25).
Hierna barstte het feest los! Dat kon dagen duren, tot wel
een week toe, zoals we dat lezen bij Simson (Rich. 14). De bruid behoorde vanaf
nu tot de familie van de bruidegom.
Polygamie
Een man in de Bijbel had in het algemeen één vrouw. Maar sommige mannen hadden er meer. We noemen dat 'polygamie'. Denk maar aan Abraham, Jakob, David en (vooral) Salomo! Mannen dus die extra vrouwen konden betalen! We lezen trouwens niet dat God dit afkeurt – maar er staat in de Wet: “Gij zult niet echtbreken”. David zondigde dus wel toen hij Batseba bij Uria weghaalde (1 Kon. 15:5).
De profeet Maleachi wijst er in hoofdstuk 2:15 op dat God aan de mens maar één vrouw heeft gegeven. Het nemen van meerdere vrouwen is niet aan te bevelen. Vaak kwam er jaloezie en ruzie van, zoals bij Elkana (1 Sam. 1:6-7). En ook Paulus stelt dat een ambtsdrager maar één vrouw mag hebben (1 Tim. 3:2).
Er waren ook mannen met zogeheten bijvrouwen. Abraham had bijvoorbeeld Hagar, Reüma en Ketura. Die hadden een lagere status dan de eigen vrouwen. Ze waren meestal een teken van rijkdom en macht. Salomo had 700 vrouwen en 300 bijvrouwen.
Echtscheiding
Echtscheiding kwam, ondanks het zevende gebod, wel voor. Volgens Deut. 24:1 mocht een man zijn vrouw wegsturen als hij “iets schandelijks” aan haar gevonden had. Is dat in het geval van overspel? Dat zou je wel denken. Maar sommige Joodse rabbijnen waren hierin heel soepel: het was al toegestaan als zijn vrouw het eten had laten aanbranden. Of wanneer de man een vrouw had ontmoet die hem beter beviel.