Eten en drinken


In de Bijbelse tijd moest er hard gewerkt worden en dan is voldoende eten geen overbodige luxe. Denk maar aan Ezau, die op jacht was geweest en daardoor een geweldige trek had gekregen.

   Brood   

Men at veel brood. Het was zo belangrijk, dat de Joden onder “brood eten” niets anders verstonden dan: “de maaltijd gebruiken” (zie Gen. 3:19). Voor het bereiden van brood moest graan worden gemalen. Dat gebeurde door over het graan met een steen te wrijven. Of met een stamper in een mortier (Num. 11:8). Later gebruikten de meeste mensen twee molenstenen, waartussen het graan werd fijngemaakt. Dat graan was meestal gerst; de rijkeren konden ook tarwe nemen.


► Graan malen tussen twee molenstenen

Waarschijnlijk werden er drie maaltijden per dag gehouden. Rond de middag zal men wel gegeten hebben. Tenminste, in Ruth 2:14-15 lezen we dat het werk door een eetpauze werd onderbroken. De hoofdmaaltijd volgde tegen het vallen van de avond, wanneer de temperatuur wat was gedaald. Want in het Oosten kon het ontzettend warm zijn!

   Vlees   

Om de maaltijd smakelijk te maken koos men wel honing; dat was de enige zoetstof die men kende. Voor zout kon je in de omgeving van de Dode Zee terecht. Dat verbeterde de smaak van het eten. Ook was zout geschikt als conserveermiddel; levensmiddelen kon je dan langer bewaren.

Vlees werd niet zoveel gegeten. Het werd als een soort ‘luxe’ beschouwd, die alleen voor de rijken was weggelegd. Bij de ontvangst van gasten of bij speciale gelegenheden werd wel rundvlees opgediend (zie Gen. 18:7 en Luk. 15:23). Maar verder waren het meest schapen en geiten (“kleinvee”) die werden gegeten. En soms ook sprinkhanen, zoals we van Johannes de Doper weten. Het was wel opletten geblazen, want niet alle dieren mochten volgens de Joodse spijswetten gegeten worden. Ook was het verboden om een dier te eten dat in het veld was gestorven of dat door een ander dier verscheurd was (Lev. 22:8).

   Wijn en melk   

Water was voor de Joden van levensbelang. Men moest er dus niet al te royaal mee omgaan. Bovendien wist je niet altijd of het wel schoon genoeg was. Daarom gebruikte men veel wijn en melk. In Jes. 55:1 worden deze producten beide genoemd. Men kon melk ook zo bewerken dat er een soort boter ontstond. Salomo wijst hierop in Spr. 30:33.

   Olie   

Groente en vruchten stonden natuurlijk ook op het menu. Bonen en linzen worden in de Bijbel genoemd (zie 2 Sam. 17:28). Verder werden gegeten: vijgen, druiven, rozijnen, amandelen en granaatappels, om maar wat te noemen. En laten we de olijfolie niet vergeten. Deze was belangrijk bij de voedselbereiding en bij de verzorging van de huid. En uiteraard als brandstof voor de lamp.


► Olijven, waaruit olie werd verkregen

Uit wijn kon men een soort azijn bereiden, een zure drank die op warme dagen heerlijk verfrissend kon zijn. Ook werd azijn met olijfolie wel toegevoegd aan groenten om er een salade van te maken.

   Bestek   

Er waren ovens om het eten te bereiden. Maar in het algemeen werd er veel meer gekookt dan gebraden; ook als het om vlees ging. Bij opgravingen zijn heel veel kookpotten teruggevonden.

Bestek om te eten, lepels en vorken, kende men in die oude tijd niet. Je moest het doen met een korstje brood, waarmee je uit de gezamenlijke ‘pot’ kon eten. Die stond overigens vaak niet (zoals bij ons) netjes op de tafel, maar op de grond – zeker bij de armen. Het gezin zat dan daar omheen.

   Vertrouwen op God   

Van Jakob lezen we (Gen. 28:18) dat hij olie over de steen in Bethel goot. Een teken van dankbaarheid aan God. Maar ook liet hij daarin zijn grote Godsvertrouwen zien. Immers, hij had nog een reis van honderden kilometers voor de boeg. En daarbij had die olie, als een belangrijk voedingsmiddel, hem nog heel goed van pas kunnen komen!