Kleding
Op foto’s van mensen uit het Oosten zie je dat ze daar vaak
heel anders gekleed gaan dan bij ons. We willen eens gaan zien hoe dat in de Bijbelse tijd was.
Onderkleed
In het algemeen was de kleding bij de Israëlieten eenvoudig. Direct op het lichaam werd een onderkleed (ook wel ‘rok’ of ‘tuniek’ genoemd) gedragen. Dit kleed was in het algemeen van wol of linnen. Een rok van geitenhaar zat niet zo lekker; deze werd vaak gedragen in een tijd van rouw. Zo’n onderkleed moet je je voorstellen als een soort zak, met bovenaan een V-vormige hals. Deze werd er pas uitgesneden als het kleed werd verkocht. Je kon dus altijd zien of zo’n rok nieuw of tweedehands was.
Het onderkleed bestond uit twee delen, die in de buurt van het middel aan elkaar waren genaaid. Later kwamen er betere weefgetouwen, waarmee je grotere kleden kon vervaardigen, zodat er geen naad meer nodig was. Denk maar aan het kleed van Jezus. Daarvan lezen we in Joh. 19:23 dat het uit één stuk, van boven af, geheel was geweven.
Gordel
De rok werd vastgebonden met een gordel. Daarin waren plooien, zodat je er geld in kon bewaren. Wanneer men in deze rok aan het werk was of snel wilde lopen, dan werd dit onderkleed opgetrokken en in de gordel gestopt. Je kon dan vrijer bewegen. We kunnen denken aan de Israëlieten bij het vieren van het eerste Pascha: “Uw lendenen moeten opgeschort zijn” (Ex. 12:11). Het volk moest dus als het ware gereed staan om te vertrekken.
Er moest verschil zijn tussen mannen- en vrouwenkleding. Dat lezen we duidelijk in Deut. 22:5. De rok van de vrouw was langer, meestal tot op de enkels. Ook was deze rijker versierd.
Mantel
Ging je naar buiten, dan droeg je – tenzij je heel arm was – ook nog een opperkleed (of ‘mantel’). Deze was meest van wol. Denk maar aan een soort lap, die om het lichaam heen werd geslagen. Voelde je je wat deftiger, dan had je een omlaag hangende toga. Zonder mantel kon je het idee hebben ‘naakt’ te lopen, in elk geval zag je er minder verzorgd uit. In Joh. 21:7 lezen we dat Petrus “naakt” aan het vissen was. Maar dat wil alleen zeggen dat hij daarbij zijn opperkleed had uitgedaan.
► Op de afbeelding zie je (tweede van rechts in het blauw) een eenvoudige man, die alleen het onderkleed met de gordel draagt. Misschien een arbeider? De man uiterst links is wat deftiger: hij heeft het opperkleed omgeslagen over een lange rok. Helemaal rechts een man in priesterkleding.
Kleding kende men in allerlei kleuren, zoals wit, beige, blauw en rood. Wilde je echt je rijkdom laten zien, dan verfde je die in purper. Ook Jezus werd een purperen mantel omgedaan. Hij was immers: de koning der Joden.
In het Oosten werd kleding op grote waarde geschat: om het te maken moest er heel wat werk verricht worden. Van Simson lees je dat hij de bruiloftsgasten met kostbare kleren wilde belonen als zij zijn raadsel konden oplossen.
Sandalen
Mannen droegen als hoofdbedekking vaak een muts of
tulband. Vrouwen waren in elk geval buitenshuis altijd gedekt.
Als je erop uit ging had je schoenen nodig. Dat waren een soort
sandalen; in het Nieuwe Testament worden die in het Grieks ook letterlijk zo
genoemd. We lezen er al van bij Mozes (Ex. 3:5 en 12:11). Binnenshuis liep men
vaak blootsvoets, zeker kinderen en slaven.
En dit nog...
Veel mensen (ook in de Bijbel gebeurde dat) willen nogal eens ‘pronken’ met hun kleren; men
wil de nieuwste mode volgen. Maar dat is heel ongepast als je bedenkt dat wij
kleren nodig hebben als gevolg van de zondeval. In Gen. 3 lezen we dat Adam en
Eva merkten dat ze naakt waren en dat God hun ‘rokken’ van dierenvellen
aantrok.