Klok en kalender


Het meten van de tijd ging in de Bijbel wel even anders dan bij ons. Het was veel primitiever, omdat men geen nauwkeurige uurwerken had. Om maar niet te spreken van het besef van minuten en seconden.

   Dag en nacht   

Bij het volk Israël werd een etmaal verdeeld in 24 uren. Maar toch is het anders dan bij ons. Men noemde de periode dat de zon scheen: dag. En zowel de lichte als de donkere periode werd in 12 uren verdeeld. “Zijn er niet twaalf uren in de dag?”, zegt Jezus in Joh. 11:9. Dat betekende dat een uur in de zomer (zeg maar: in juni) langer duurde dan in hartje winter. Omstreeks de ‘langste dag’ was de uurlengte gelijk aan 70 minuten bij ons. En elk uur van de nacht was dan slechts 50 minuten. In de winter was dat dus andersom.

Volgens Mark. 15:25 werd Jezus gekruisigd op de "derde ure". Rond Pesach (Pasen) zijn dag en nacht vrijwel even lang. Dan is die “derde ure” ongeveer tussen 8:00 en 9:00 in onze tijdtelling. Zelfs lezen we over de “derde ure des nachts” (Hand. 23:23), ergens rond 21:00. Namelijk toen Paulus in het geheim naar Caesaréa werd overgebracht.
De Romeinen hadden ook een systeem waarbij de tijd na zonsondergang werd verdeeld in een aantal “nachtwaken”. Dit werd door de Joden overgenomen.

   Romeinense indeling   

Het lijkt erop dat de evangelist Johannes de enige was die niet de Joodse dagindeling heeft gehanteerd. Dit kan blijken uit Joh. 19:14. Daar lees je dat de rechtszaak tegen Jezus plaatsvond op de “zesde ure”. We weten dat dit vroeg in de morgen is geweest (en niet op het middaguur). De Kanttekening geeft aan dat Johannes zijn boek geschreven heeft ná de verwoesting van Jeruzalem. Het is dan logisch dat hij het systeem van de Romeinen gebruikte. Die lieten, evenals wij, de nieuwe dag om middernacht beginnen.

Toen Jezus met de Samaritaanse vrouw sprak was het “omtrent de zesde ure” (Joh. 4:6). Vaak wordt gezegd, dat dit rond 12 uur, op het heetst van de dag, is geweest. Maar dit ligt niet voor de hand, want het waterputten werd gewoonlijk vroeg of laat op de dag gedaan.

   Zonnewijzer   

Moderne klokken had men niet. Overigens, men was in de Bijbelse tijd veel minder gehaast dan wij, die soms problemen krijgen we ons een paar minuten vergissen.

Bij Hizkia lezen we wel over een zonnewijzer (2 Kon. 20:11), hoewel dit woord niet letterlijk in het Hebreeuws voorkomt. Het is zeker een soort uurwerk, waarbij de zon de tijd aangeeft. Er wordt gesproken over treden (Statenvertaling: “graden”). Misschien gaat het over de schaduw van de zon op de trap van het koninklijke paleis. Of een zonnewijzer, die lijkt op de Egyptische “schaduwklok”.

   Het Joodse jaar   

Bij de Joden was (en is nog) het jaar ingedeeld volgens de schijngestalten van de maan. Telkens wanneer na 29 of 30 dagen de (nieuwe) maan weer zichtbaar werd, begon een nieuwe maand. Bij bewolkt weer zal dat wel eens lastig zijn geweest.

Omdat een jaar bij ons maanden heeft van 30 of 31 dagen, was dat voor de Joden wat problematisch. Ze kwamen na twaalf maanden gewoon 11 dagen te kort. Het gevolg was dat de seizoenen langzaam opschoven. En als je niet zou ingrijpen zouden de maanden én de Joodse feesten niet meer overeenkomen met wat er in de landbouw gebeurde.

In de Bijbelse tijd loste men dit probleem op door, als het nodig was, een extra maand aan het jaar toe te voegen. De Joodse geleerden beslisten wanneer dat moest gebeuren. In de tijd van het Nieuwe Testament ging dat nog op die manier. Enkele honderden jaren later kwam hierin meer systeem. Men voegde voortaan zeven keer in de 19 jaar een maand toe. Je had dan een jaar van 13 maanden. In zo’n schrikkeljaar heetten de laatste twee maanden: Adar-I en Adar-II.

   Nieuwjaar   

De namen van de meeste Joodse maanden komen ook in de Bijbel voor. We noemen de eerste drie: Abib (Ex. 13:4), Ziv (1 Kon. 6:1), Sivan (Esth. 8:9). Je kunt er vast nog wel meer vinden! 

Het is merkwaardig dat bij de Joden het jaar niet begon in de eerste maand (Abib), maar in de zevende (Tisjri). In Ex. 34:22 staat duidelijk dat bij de oogst in het najaar “het jaar om is”.