Toch nog vrede?

De Zionisten zijn blij met de Britse toezegging. Toch komen na de Balfour-verklaring enkele vragen op: Wie hebben eigenlijk recht op Palestina? Zijn dat de Engelsen of de Fransen? Of de Joden? En wat te denken van de Arabieren? 

Lawrence van Arabië

De Arabieren snappen dat na de oorlog Palestina voorlopig onder Brits bestuur zal komen. Dus: om onafhankelijkheid te krijgen moeten ze bij de Engelsen zijn! Andersom willen de Engelsen graag dat de Arabieren meehelpen tegen de Turken. In het Britse leger is een officier die goed Arabisch spreekt: Thomas Lawrence (ook wel genoemd: Lawrence van Arabië). Hij weet de Arabieren over te halen om in opstand te komen tegen de Ottomanen, die veel sterker zijn. En ze hebben succes ook. Echter is Lawrence woedend als hij hoort van het Sykes-Picot verdrag tussen Engeland en Frankrijk. Op die manier kunnen de Arabieren hun eigen staat wel vergeten. Toch is hij zeker niet tegen de vestiging van de Joden in Palestina. Integendeel, hij vindt dat de Joden veel technische kennis uit Europa meebrengen. Daardoor zal de welvaart in het hele Midden-Oosten met sprongen omhoog gaan! 

De Britten in Jeruzalem

Het is eind 1917. De Engelsen rukken op in Palestina. De Ottomanen (Turken) worden steeds verder teruggedreven. Op 9 december geven ze zich over. Twee dagen later trekt de Britse generaal Allenby Jeruzalem binnen. Uit respect voor de heiligheid van de stad doet hij dat te voet! Het is juist de dag dat de Joden het Chanoekafeest vieren. Krantenkoppen vertellen: “Jeruzalem door de Britten gered na 673 jaar overheersing door de moslims”. Enkele weken later komt er in Jeruzalem een speciale ‘stadhouder’: de Engelsman Ronald Storrs. Hij vindt dat de bevolkingsgroepen moeten leren in vrede met elkaar te leven. Hij richt zelfs een schaakclub op, om te proberen dat doel te bereiken. Maar de haat zit te diep: de spanningen tussen Joden en Arabieren zullen steeds meer gaan oplopen. 

Een sprankje hoop…

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. In 1918 wordt de eerste steen gelegd voor de Hebreeuwse Universiteit bij Jeruzalem. Bij die plechtigheid zijn Christenen én Joden én Mohammedanen aanwezig. En in datzelfde jaar zijn er ontmoetingen tussen Weizmann en prins Faisal, een zoon van sjarif Hoessein. Deze Faisal maakt duidelijk dat er geen jaloezie mag zijn tussen Arabieren en Joden. Ze moeten elkaar juist helpen. Ze hebben toch hetzelfde doel? Ze willen allebei onafhankelijkheid in een gebied dat zo lang door de Turken is overheerst. “Wij begrijpen elkaar”, zegt Faisal tegen de Joden. “De Arabieren zijn niet afgunstig op de Zionisten. We willen ons eerlijk tegenover hen gedragen.” De Britse officier Lawrence, die regelmatig contact heeft met Faisal, is blij met deze ontwikkeling. Want wat klinkt het allemaal prachtig! Nog mooier wordt het als er begin 1919 een overeenkomst wordt gesloten tussen Weizmann en Faisal. De Arabieren staan toe dat emigratie van Joden naar Palestina wordt aangemoedigd. Het land moet immers nog verder tot ontwikkeling worden gebracht? Het lijkt allemaal te mooi om waar te zijn: Arabië voor de Arabieren en… Palestina voor de Joden. Zal er dan toch nog vrede komen?