Stadhouders en koningen


In Judea hebben ze het helemaal gehad met die Herodessen. Na het vertrek van Archelaüs zal er vanaf het jaar 6 na Chr. een Romeinse stadhouder zijn. Maar eerst moet er een volkstelling worden gehouden. De Joden zien de bui al hangen: dat wordt weer belasting betalen. En natuurlijk met munten met de afbeelding van de keizer. Het komt tot een felle opstand: er wordt gemoord en geplunderd. Vooral de Zeloten zijn daarbij actief. Dat is een Joodse groepering, die geweld pleegt tegen de Romeinse overheersers

   Pontius Pilatus   

De volgende twintig jaar zijn er wel vier opeenvolgende stadhouders in het Joodse land. Natuurlijk niet in Galilea, want daarover regeert Herodes (Antipas), de viervorst, waarvan we in de Evangeliën lezen. In het jaar 26 wordt Pontius Pilatus tot stadhouder benoemd.


► Pilatus wast zijn handen "in onschuld" (Schilderij Jan Lievens)

Hij is bekend uit de geschiedenis van de veroordeling van Jezus tot de kruisdood. Pilatus begrijpt niet veel van de Joden, hij houdt ook weinig rekening met hun gevoelens. Het begint al niet zo goed: de soldaten van Pilatus plaatsen afbeeldingen van de keizer in Jeruzalem. Dit gaat in tegen de Joodse wet. Dagenlang protesteren de Joden, zodat Pilatus die beelden moet verwijderen.

   In de Bijbel   

Enkele jaren later ontstaat er een grote rel als hij een nieuwe waterleiding wil aanleggen. Goed bedoeld, maar hij gebruikt daarvoor geld uit de tempel. Heiligschennis, volgens de Joden. Het geeft een geweldige opstand. De Zeloten doen hier ook driftig aan mee. Waarschijnlijk is dit het oproer geweest waarvan je leest in de Bijbel: En er was een, genaamd Barábbas, gevangen met mede-oproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan hadden (Mark. 15:7). Barábbas was kennelijk ook bij de groep van de Zeloten aangesloten.
In Lukas 13:1 staat dat Pilatus eens met geweld op het tempelplein heeft ingegrepen: En er waren te dienzelven tijde enigen tegenwoordig die Hem boodschapten van de Galileeërs welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had. Wat blijkt namelijk? De slachtoffers zijn Galileeërs, dus afkomstig uit het gebied van Herodes! En ze waren volkomen onschuldig, want het waren pelgrims die een offer wilden brengen. Mogelijk dat dit voorval de verhouding tussen Pilatus en Herodes heeft verstoord. Daar komt nog wat bij. Want Herodes is een goede vriend van keizer Tiberius. En wanneer Pilatus (of een andere stadhouder) zich niet goed gedraagt, geeft hij dat netjes aan Rome door. Maar bij de veroordeling van Jezus zal het allemaal goed komen tussen Pilatus en Herodes: ze worden weer dikke vrienden (Luk. 23:12).

In het jaar 36 denkt Pilatus dat een groep Samaritanen in opstand wil komen. En hij slaat erop los. Dat loopt verkeerd af: er komen klachten over Pilatus, met als gevolg dat hij wordt afgezet. Na Pilatus regeren er nog een paar andere stadhouders. Maar dan…

   Koning Agrippa   

In Rome woont een kleinzoon van koning Herodes: Agrippa. Deze broer van Herodias leidt een daar een prettig leventje. Ook raakt hij bevriend met keizer Claudius, die in 41 de troon bestijgt. En dat werpt vruchten af. Want hij krijgt in dat jaar zomaar het hele koninkrijk van zijn grootvader Herodes in handen. Wie had dat kunnen denken? De Joden zijn aangenaam verrast: ze hebben - na meer dan veertig jaar - weer een echte koning! Daar komt bij dat Agrippa het de Joden naar de zin wil maken. Zo ver gaat het, dat hij Jakobus ter dood brengt en Petrus gevangen laat zetten.

   Nieuwe stadhouders    

Agrippa bewoont een prachtig paleis in Caesaréa. In Jeruzalem bouwt hij een extra muur, aan de noordkant van de stad. Maar tegen de Romeinen zal deze, 25 jaar later, niet bestand blijken…
Lang heeft Agrippa niet geregeerd: slechts drie jaar. Dan is er een feestelijke bijeenkomst in het amfitheater van Caesaréa. De koning wordt door de mensen toegejuicht. Ze zeggen dat hij er als een god uitziet in zijn blinkend gewaad. De Heere straft hem: hij wordt getroffen door een dodelijke ingewandsziekte. Lees het maar na in Hand. 12 (daar wordt deze Agrippa aangeduid met Herodes).


► Het enorme amfitheater in Caesaréa

Zijn zoon, die ook Agrippa heet, is dan nog maar 16 jaar. Niet geschikt om al koning te zijn, vindt keizer Claudius. Vanaf dat jaar worden de Joden dus weer geregeerd door stadhouders. Maar de meeste zijn onbetrouwbaar en verzot op geld. Er komt steeds meer ontevredenheid onder de Joden, de Zeloten gaan zich ook weer roeren. Dat moet een keer fout aflopen…

   Wist je...    

  • dat die tweede Agrippa óók koning is geweest?
  • dat hij regeerde over een gebied waar weinig Joden woonden?
  • dat hij meehielp met de tempelbouw in Jeruzalem?
  • dat hij met Paulus (zie Hand. 25) heeft gesproken in Caesaréa?