Jagen en vissen


Israël was een land van wilde dieren. Aan de oevers van de Jordaan, waar het vochtig én warm kon zijn (een soort oerwoud) zaten er genoeg - zelfs leeuwen. Er werd ook gejaagd op herten en reeën, zoals je kunt afleiden uit 1 Kon. 4:23.

   Geen hobby...   

Jagen op dieren zal voor de zondvloed wel zijn voorgekomen, om de mensen kleding te verschaffen. Pas later heeft God de mens toegestaan (Gen. 9:3-4) om vlees te eten.

Jagen als een soort hobby, zoals wij dat wel kennen, gebeurde waarschijnlijk in Israël niet. In Assyrië wel; we weten dat de koning vaak op leeuwenjacht ging, gewoon voor het plezier en om te laten zien hoe moedig hij wel was. En de Nimrod uit Gen. 10, die “een groot jager” wordt genoemd, heeft dat waarschijnlijk ook gedaan.

   Op jacht   

Men kon een dier in een val lokken, door bijvoorbeeld een kuil te maken, die gecamoufleerd was met dunne takken en aarde. Het dier werd dan met een net gevangen en met pijlen of messen gedood. Van Ezau lezen we dat hij met pijl en boog het veld inging om, in opdracht van vader Izak, een ‘wildbraad’ te schieten.

Veel vlees werd er niet gegeten. Je had immers het probleem dat, volgens de spijswetten, niet alles was toegestaan. En volgens Deut. 12:16 moest eerst het bloed uit het gedode dier worden verwijderd.

   Vis: eiwitbron   

In Egypte aten de Israëlieten al veel vis, die in de Nijl gevangen werd. In de woestijn konden ze zich dat nog goed herinneren (Num. 11:5). Het was in elk geval een belangrijke bron van eiwitten.

In de Jordaan en het Meer van Galilea kwam veel vis voor. Men viste er lustig op los: er zijn overblijfselen gevonden van soorten als sardine, meerval, karper en Petrusvis. Natuurlijk kwamen ook hier de voorschriften in de wet ‘om de hoek’ kijken. Sommige vissen mochten niet gegeten worden. In de gelijkenis noemt Jezus deze de “kwade” vissen, die weggeworpen werden (Matth. 13:47-48).

   Visvangst   

Er waren verschillende soorten netten. Een sleepnet werd met kurken drijvende gehouden en met stenen verzwaard. Het werd door het water gesleept, waarbij de vissen in de mazen verward raakten. Later moest zo’n net met touwen op de oever getrokken worden. We lezen in Joh. 21:8 dat de discipelen op de Zee van Tiberias op die manier bezig waren.


► Op de Zee van Tiberias   beeld: www.gospelimages.nl

Heel anders ging het met een werpnet. Dat werd zo ver mogelijk in zee gegooid. Na een tijdje werd het dichtgetrokken en ingehaald. Petrus en Andreas waren zo aan het vissen (Mark. 1 : 16 ). Vissen met een hengel of haak zal ook wel niet ongewoon zijn geweest. Petrus deed dat, in opdracht van Jezus (Matth. 17:27).

   Nachtwerk   

Vissen was zwaar werk. En soms gevaarlijk, omdat er ineens een sterke wind kon opsteken. De vissers hadden daarbij alleen een hemd aan. Van Petrus lezen we dat hij “naakt” was (Joh. 21:7). Dat moet je niet letterlijk nemen: het betekent dat hij geen opperkleed droeg. Dat was veel te warm en bovendien erg lastig bij het werk.

Ook weten we dat de vissers het liefst in de nacht werkten (Joh. 21:3; Luk. 5:5). In het donker waren de mazen van het net slechter zichtbaar voor de vissen. Ze konden dan niet zo gemakkelijk ontsnappen!

   Vishandel   

Op markten werd vis verhandeld. Mogelijk gebeurde dat in Jeruzalem in de buurt van de Vispoort (vandaar de naam). Gevangen vis werd, om deze lang te kunnen bewaren, gedroogd of gezouten.
We lezen dat Jakobus en Johannes werkten in het familiebedrijf van hun vader Zebedéus. Ze hadden ook gehuurde werknemers (Markus 1:20). Waarschijnlijk leverden ze ook vis aan de hogepriesterlijke familie in Jeruzalem. We lezen immers in Joh. 18:15 dat Johannes zomaar de zaal van de hogepriester kon binnengaan, omdat hij daar bekend was.