313 - 1036 Byzantijnen en Arabieren

In dit stukje lees je hoe Israël vanaf 313 onderdeel werd van een christelijk en later van een islamitisch rijk. Er veranderde veel in het gebied. De Joden werden een minderheid en iedere overheerser liet zijn eigen culturele indruk achter. Dit maakte van het Midden-Oosten een verzamelbak van geloven en culturen, iets wat vandaag nog steeds duidelijk aanwezig is.

Byzantijnse periode

Om problemen bij de troonopvolging in het Romeinse Rijk te voorkomen had de keizer het rijk in een oostelijke en een westelijke rijkshelft verdeeld, elk met zijn eigen augustus (opperkeizer). Israël kwam in het oostelijk gedeelte te liggen. In 330 werd door keizer Constantijn de Grote ook de hoofdstad verplaatst van Rome naar Byzantium in het voordelige en militair belangrijkere oostelijk deel. De naam Byzantium werd veranderd in Nova Roma, maar was al snel beter bekend als Constantinopel (= De stad van Constantijn). De beslissing van Constantijn om de hoofdstad te verplaatsen naar Constantinopel (= nu Istanbul)  had gevolgen. Het belangrijkste deel van het rijk werd verplaatst naar het oosten. Ook het feit dat Constantinopel zeer strategisch gelegen is en daardoor goed te verdedigen, droeg er toe bij dat het Oost-Romeinse Rijk zou blijven bestaan. In 395 was het rijk definitief uiteengevallen in een westelijk en oostelijk deel. Constantinopel bleef de hoofdstad van het oostelijke deel, maar in het westen wisselde de hoofdstad verschillende keren. Deze periode, van 313 tot 636, heet de Byzantijnse periode.

Het christelijk geloof was sinds het ontstaan ervan aan het begin van de jaartelling uitgegroeid tot een volwaardige godsdienst. Het werd het officiële geloof van het Romeinse Rijk, nadat keizer Constantijn de Grote zich hiertoe bekeerde. In Israël nam het aantal christenen enorm toe. Met de nog geldende beperkende maatregelen voor Joden leek dit gebied ineens een sterk christelijk karakter te krijgen, zeker met alle kerken en godsdienstige gebouwen die overal gebouwd werden. De opkomst van het christendom als officiële godsdienst zorgde ervoor, dat het land Israël steeds meer werd gezien als het Heilige Land. Het christendom werd de staatsgodsdienst, de positie van Joden  in de samenleving werd slechter.

Ontstaan van Arabische cultuur

In het jaar 636 werd Israël veroverd door Arabieren. Inmiddels had de islamitische profeet Mohammed zijn geloof op het Arabisch schiereiland (Azië, in de hoofdstad Mekka van de provincie Mekka in Saoedi-Arabië) geïntroduceerd. Deze nieuwe islamitische heersers vormden aanvankelijk geen probleem voor de Joden in dit gebied. Sterker nog, ze kregen bijvoorbeeld weer toestemming om in Jeruzalem te wonen. Daarentegen werden zij wel verplicht meer belasting te betalen.

De leiders van de Arabieren, de kaliefen, noemden dit nieuwe deel van het rijk Palestina. Zelf hadden ze namelijk nog geen naam voor dit gebied. Dus gebruikten zij een deel van de Romeinse naam, Syrisch Palestina.

Terwijl Joden en christenen meestal trouw bleven aan hun eigen geloof en cultuur, namen de meeste andere bevolkingsgroepen in Palestina langzaamaan de Arabische cultuur en het islamitische geloof over. Aangezien de meeste groepen door de eeuwen heen met elkaar vermengd raakten, heeft deze “arabisering” uiteindelijk ertoe geleid dat die mensen zichzelf als Arabisch beschouwen.

Allemaal Arabieren

Zoals de Arabische christenen bewezen, was de “nieuwe” Arabische afkomst niet aan geloof verbonden. Om het anders te zeggen: terwijl niet-christenen en niet-joden de Arabische cultuur en het islamitisch geloof overnamen, herkenden christenen zich, gezien hun herkomst, nu evenwel als Arabier, maar dan met een ander geloof.

Aan het einde van ruim 400 jaar Arabische overheersing was de Joodse gemeenschap een uitgedunde minderheid. Vanwege de hoge belastingen en veranderende maatregelen weken veel Joden uit naar het buitenland. Daar komt bij dat de meerderheid van de niet-Joodse bevolking islamitisch was geworden.

Deze islamitische overheersing was een doorn in het oog van Europese christenen. Immers, steden als Jeruzalem, Nazareth en Bethlehem waren door andersgelovigen bezet, terwijl dit voor christenen belangrijke plaatsen zijn.