Arend

Roofvogels kende men ook in Israël. De naam van de arend (ook adelaar genoemd) vind je tientallen keren in de Bijbel. En ook soms de gier.

Vertaalproblemen

Je weet vast dat in Leviticus 11 een hele rij dieren wordt genoemd, die bij de Israëlieten onrein waren en dus niet mochten worden gegeten. Daar waren ook roofvogels bij. De vertalers hebben nogal zitten tobben met de betekenis van al die Hebreeuwse woorden. Welke vogel is dit nu? Wat is eigenlijk een nesjer, wat is een peres? In kanttekening 13 bij dit hoofdstuk merk je, dat de Statenvertalers dit moeilijk hebben gevonden: ze volgen maar de algemene mening onder de geleerden van hun tijd. Toch wel lastig. Maar we hoeven er niet zo’n probleem van te maken: roofvogels lijken best op elkaar, als het gaat om hun manier van leven.

Arend en gier

De naam van de arend komt in onze vertaling dus het meeste voor. Velen denken dat het daar over een gier gaat. Dat is wel te begrijpen. Het woord nesjer betekent namelijk zoiets als: ‘kaalheid’. En een gier hééft inderdaad een kale kop. Het is een aaseter en dan zou beharing op zijn kop teveel in de weg zitten. En als hij in de rui is, verliest hij al zijn veren. Maar een arend óók. We houden het dus maar, voor het gemak, op: “arend”. Verder komt in de grondtekst ook nog een ander woord voor, dat is vertaald door: roofvogel. Kortom, er is veel wat we niet precies weten.
Wel is bekend dat arenden (en gieren) sterke klauwen hebben om hun prooi vast te houden. Ze hebben een scherpe ‘adelaarssnavel’ en sterke vleugels. Zo sterk zelfs dat God tegen Israël zegt, dat Hij het volk “op arendsvleugelen” tot Zich gebracht heeft (Ex. 19:4). Dat heeft te maken met het gedrag van sommige arenden (of: gieren) die tussen de bergen en de rotsen leven. Als ze jongen hebben moeten die leren vliegen. Daar besteden de ouders veel aandacht aan. Soms moeten ze die fladderaars zelfs met hun eigen vleugels opvangen. Dat lees je in Deut. 32:11.

Kracht en snelheid

Arenden nestelen soms heel hoog in de bergen, op plekken die voor de mens onbereikbaar zijn. De Edomieten woonden ook in zo’n gebied. Ze dachten dat ze dus veilig waren voor de vijand, maar God zegt, dat Hij ze zal straffen, ook al zouden ze zo hoog klimmen als de arenden (Jer. 49:16).
Een arend kan een zeer hoge leeftijd bereiken, soms meer dan honderd jaar. De dichter zegt in Ps. 103:5: “Die uw jeugd vernieuwt als eens arends”. Men wist dus dat arenden heel lang jong en krachtig konden blijven.
Het beeld van de arend is heel geschikt om er snelheid en kracht mee aan te geven. In Spr. 23:5 waarschuwt Salomo voor aardse rijkdom, die snel kan verdwijnen, zoals een arend die naar de hemel vliegt. Arenden hebben ook een groot jachtgebied. Daarom staat in Hab. 1:8 dat de vijanden van ver zullen komen als een arend. Daarmee worden de Babyloniërs bedoeld die Jeruzalem zullen innemen.