Ezel

Een dier, dat nogal eens als lui, dom en koppig wordt beschouwd. Maar dat kun je zeker niet zeggen van de ezels die men in het oude Israël gebruikte.

Een nuttig dier

De ezels in het Midden-Oosten hadden meestal een bruinachtige kleur. Dat kun je ook afleiden van het Hebreeuwse woord voor ezel: “hemor”, wat betekent: roodbruin. De vader van Sichem (Gen. 33:19) schaamde zich er dus niet voor dat hij eigenlijk ‘Ezel’ heette! De ezels uit die dagen kun je niet vergelijken met de dieren de we hier in Europa kennen. Het waren zeer nuttige ‘huisdieren’. De ezel werd gebruikt als last- en als rijdier. Het dier is minder snel dan een paard, maar het heeft een geweldig uithoudingsvermogen. Ook heeft de ezel niet zoveel last van warmte en droogte. En op smalle bergpaadjes is hij veel beter wendpaar dan een paard, dat wel moeite heeft om stevig op zijn poten te blijven staan. Verder is hij weinig kieskeurig wat het eten betreft: gras, hooi of zelfs distels laat hij niet staan.
Voor het eerst lezen we van dit dier bij Abram, die van Farao onder andere ezels en ezelinnen ten geschenke kreeg (Gen. 12:16). De broers van Jozef, die in Egypte koren gingen halen, maakten ook gebruik van ezels. Van Job lezen we dat hij eerst 500 ezelinnen had; deze werden in het Oosten speciaal gebruikt als rijdier. Ook van Bileam staat in Num. 22 dat hij op een ezelin reed.

Onrein

Ezels waren belangrijk. David stelde zelfs een man aan, die bijzonder toezicht op de ezelinnen moest houden (1 Kron. 27:30). Van paarden lezen we nog niets. Pas na de tijd van David kwamen er steeds meer paarden in Israël, maar toch gaf men verre de voorkeur aan de ezel. Nog ná de Babylonische ballingschap was dat zo. Want in Ezra 2:66-67 staat dat de teruggekeerde ballingen slechts 700 paarden bij zich hadden, maar bijna 7.000 ezels!
Bij de Israëlieten was de ezel een onrein dier en mocht niet gegeten worden. Dus moest er wel een grote hongersnood zijn geweest in Samaria, toen daar een ezelskop voor veel geld werd verkocht (2 Kon. 6:25). Een dode ezel werd buiten de stadspoort gegooid. Dat heette een ‘ezelsbegrafenis’. De Heere voorzegt in Jer. 22:19 dat dit de goddeloze koning Jojakim zal overkomen.

Intocht van Christus

Een echt zadel, als bij een paard, werd bij een ezel niet gebruikt: er werd een dekkleed op gelegd. In Matth. 21 lezen we de geschiedenis van de intocht in Jeruzalem. Jezus reed op het veulen van een ezel de stad binnen. De discipelen hadden hun kleren op het dier gelegd. Jezus kwam niet te paard; dat doet teveel denken aan strijd en oorlog. Maar op een ezelin, als de Vredevorst. Dit was al in Zach. 9:9 voorzegd: “Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen”.