Rund

Runderen behoren bij de bekendste dieren: een waarheid als een koe. Ook in de Bijbel ontmoet je ze heel vaak.

Allerlei soorten

Op vele manieren komen runderen in de Bijbel voor. Je hebt stieren: dat zijn de mannetjes, er zijn koeien: de vrouwelijke dieren. Verder lees je ook van een os: een stier die onvruchtbaar is. Ook heb je een var, dat is een jonge stier. En een vaars is een jonge koe, die nog maar één kalfje heeft gekregen. We vinden voor runderen allerlei verschillende Hebreeuwse woorden. En wat betekenen die precies? Het vertalen zal dan ook niet steeds helemaal goed zijn gegaan. Omdat je niet altijd weet om welk dier het precies gaat.
Over runderen lezen we voor het eerst in Gen. 12:16. Daar staat dat Farao aan Abraham geschenken gaf, waarbij ook runderen waren. Het is goed mogelijk dat runderen eerder in Egypte voorkwamen dan in Kanaän. Trouwens, het gebied van de Nijl (denk aan het land Gosen) was erg geschikt voor runderen. We lezen ook van Basan, ten oosten van de Zee van Galilea, dat daar runderen werden gehouden. Psalm 22:13 spreekt over “sterke stieren van Basan”. En de profeet noemt de verwende vrouwen van Samaria: “koeien van Basan” (Amos 4:1).

Als voedsel

Runderen werden gebruikt als voedsel: we lezen bijvoorbeeld over een gemest kalf dat de tovenares in Endor in huis had (1 Sam. 28:24). Denk ook aan het kalf dat – in de gelijkenis – geslacht werd toen de verloren zoon thuiskwam (Luk. 15:23). Zo’n dier bevond zich niet in de weide, maar in de stal. Ze wilden dat het lekker vet was en dus mocht het rund niet ‘mager’ worden door teveel beweging. Ook een vorm van ‘obesitas’!
Een gemest rund was echt een lekkernij, die je vooral deftige gasten voorzette. Maar Salomo zegt in Spr. 15:17, dat je niets hebt aan een maaltijd van een gemeste os, als er geen liefde is. Dat had hij goed begrepen!

Arbeidskracht

Vooral de stieren waren gewild om te helpen bij het zware werk op het land. Bij het ploegen werden runderen met elkaar verbonden door een soort balk. Dat heette een juk. Tegenwoordig zouden we zeggen: een span. De man in de gelijkenis (Luk. 14:19) zegt dat hij “vijf juk ossen” heeft gekocht. Maar door verkopers in het Oosten kon (en kun) je makkelijk bedrogen worden. Dus wilde deze man ze eerst uitproberen. Om runderen (vaak ossen) bij het werk voort te drijven waren er speciale stokken, met scherpe punten eraan. We lezen in Richt. 3:31, dat Samgar een troep Filistijnen versloeg met zo’n ossenstok. Bij de bekering van Paulus zegt Jezus tegen hem: “Het is u hard de verzenen (hielen) tegen de prikkels te slaan” (Hand. 9:5). Daar wordt ook zo’n puntige stok bedoeld. Een os kon daar wel tegenaan slaan, maar hij bezeerde alleen maar zichzelf!
Ploegen was dus inspannend werk, maar het dorsen van het koren – dat ging nog wel. Het dier kon daarbij vaak, letterlijk, een graantje meepikken. Op de dorsvloer had het wat vrijheid en geen last van het zware juk. Zelfs een jonge koe (vaars) werd daarvoor wel gebruikt, zo kun je lezen in Hosea 10:11.
En natuurlijk was het rund belangrijk in de offerdienst van het Oude Testament. Vanaf de achtste dag konden ze voor bijna alle offers worden gebruikt (Lev. 22:27).

Mensen die zich niet weten te gedragen en overal tegenaan schoppen noemen we wel ‘schorremorrie’. Wist je dat dit uit het Hebreeuws komt? Schor betekent: os en hemor is: ezel. Je moet die woorden maar eens snel na elkaar uitspreken. In de Bijbel komen ze voor in Gen. 32:5.