Schaap

Dit is een dier dat in de Bijbel een grote rol speelt, onder andere in de offerdienst in de tabernakel. Waarschijnlijk moet je daarbij denken aan een bijzondere soort: het vetstaartschaap.

Kleinvee

In Lev. 3:9 wordt gesproken over een speciaal offer, waarbij de staart van het jonge schaap apart wordt genoemd. Dan kun je het beste denken aan een vetstaartschaap. De staart van deze schapensoort was lang en kon wel 5 kilo of meer wegen. Dan kon er best aardig wat vet aan zitten!
Nu moet je wel bedenken dat er bij de Israëlieten sprake was van twee soorten vee. Je had runderen, paarden, ezels en kamelen. Dat noemde men het ‘grootvee’. Maar geiten en schapen waren ‘kleinvee’. Op veel plaatsen in de Statenvertaling is het woord ‘schapen’ gebruikt, terwijl er in de Hebreeuwse tekst eigenlijk ‘kleinvee’ staat. Dat is meteen al zo als er over Abel gesproken wordt (Gen. 4:4). Daarom is het niet altijd gemakkelijk om uit te maken of het over geiten of schapen gaat. Vaak worden ze allebei bedoeld, zoals bij het offer in Lev. 3:6-16. Van Job lezen we dat hij, voordat hem de rampen overkwamen, 7.000 stuks kleinvee had. Maar we weten dus niet of dat allemaal schapen zijn geweest!

Ramshoorn

Een vrouwelijk schaap wordt een 'ooi' genoemd. In het Hebreeuws is dat: rachel. Dat is ook nu nog een bekende meisjesnaam. Je kent zeker wel iemand die zo heet...
Van de horen van het mannetjesschaap (de ram) maakte men een muziekinstrument: de ramshoorn (sjofar). Dat woord is in het Oude Testament meestal door ‘bazuin’ vertaald. In Jozua 6:4 lezen we dat erop geblazen werd bij de inname van Jericho. Ook werd het Jubeljaar ermee aangekondigd (Lev. 25:9). En tegenwoordig nog het begin van het Joodse Nieuwjaar.
Rijke mensen in Israël hadden honderden of duizenden schapen, zoals we lezen van Nabal (1 Sam. 25:2). De dieren waren waardevol vanwege hun vlees: aan het hof van Salomo werden er elke dag 100 geslacht.
Weidegronden voor de schapen waren er vooral aan de oostelijke kant van de Jordaan, zoals Gilead en Basan. En volgens 2 Kon. 3:4 leverde de koning van Moab 200.000 schapen en lammeren.
Er werden tweemaal per jaar lammeren geboren: in november en in juni. De eerste (de vroege lammeren) waren het sterkst. Jacob, die de kudde van Laban weidde, heeft dat als ervaren herder goed geweten!

Schaapskooien

Schapen zijn weerloze dieren en dus moeten ze beschermd worden. Vooral ’s nachts loerden er gevaren van wilde dieren. In het vlakke Overjordaanse land werden daarvoor schaapskooien gebouwd. We lezen dat van de stam van Gad en van Ruben (Num. 32:16). In de bekende gelijkenis van de goede Herder (Joh. 10) spreekt Jezus over “de stal der schapen”. Daarbij moet je dus denken aan een omheinde ruimte, met een deur erin. De deurwachter moest op de schapen passen, als de herder een tijdje afwezig was.
Maar in het bergachtige gebied van Juda dreef men de schapen wel in grotten. David schuilde in zo’n spelonk, op de vlucht voor Saul (1 Sam. 24:4). We mogen wel aannemen dat ook de herders uit Lukas 2 zo’n grot hebben gehad voor hun dieren. Sommigen zeggen dat ze daar ook de geboren Zaligmaker vonden! Dat is heel goed mogelijk.

Schapenwol

De wol van de schapen was ook belangrijk: er werden kleren voor de mens van gemaakt. Wol was iets dat je in huis moest hebben, volgens Spr. 31:13. De schapen hadden doorgaans een witte vacht; denk aan Psalm 147:16, waar gesproken wordt over “sneeuw als wol”. En dat vinden we ook in Jes. 1:18.
Schapen moesten regelmatig worden geschoren. Dat was een feest! Daarbij werd royaal gegeten en gedronken. Voorname gasten werden soms gevraagd, zoals we lezen in 2 Sam. 13:23 van Absalom, die al de prinsen uitnodigde. Maar dat eindigde allemaal niet zo feestelijk, helaas…
Het schaapscheren vond meestal plaats in een speciaal gebouw. Daarbij werd het dier aan de vier poten gebonden, zodat het niets kon beginnen en er rustig bij lag, zonder enige vorm van protest. Daarvan wordt melding gemaakt in Jes. 53:7, waar wordt geprofeteerd dat Jezus stom zal zijn voor Zijn scheerders. Hiermee wordt figuurlijk bedoeld het lijden van Christus, dat nog in vervulling moest gaan.