Slang

Een dier dat bijna overal ter wereld voorkomt. Maar ook een beest dat veel mensen niet zo prettig vinden omdat veel soorten giftig zijn.

Slangengif

Het zijn reptielen, dus koudbloedige dieren, die steeds moeten worden opgewarmd, meestal door de zon. Diezelfde zon is ook weer nodig om de eieren te laten uitbroeden, want moeder-slang kijkt er meestal niet meer naar om. Behalve de python: die broedt de eieren uit door zich eromheen te kronkelen. Slangen zijn er in soorten en maten. Er zijn giftige slangen, zoals de adder, die ook in ons land voorkomt. Het gif van slangen kan bij het slachtoffer ademhalingsproblemen en inwendige bloedingen geven. En dat is levensgevaarlijk. En er zijn slangen die hun prooi verstikken, zoals de boa en de python. Deze laatste slang kan wel 10 meter worden, maar sommige slangen zijn niet langer dan een paar decimeter.
Veel bijzonderheden zijn over slangen te vertellen. De ratelslang bijvoorbeeld heeft een soort ‘zesde zintuig’ waarmee hij in het donker kan zien. Hij voelt dan als het ware de warmte die door een prooidier wordt uitgestraald. Net als een infraroodcamera. Een slang ademt wel door zijn neus, maar om te ruiken gebruikt hij zijn… tong!

Bezweerders

We lezen dat God giftige slangen afstuurde op het mopperende volk (Num. 21:6), waarvan er velen stierven. Maar van Paulus staat dat hij een adder van zich afschudde en dat hem niets ernstigs overkwam (Hand. 28:3-5).
Slangen werden door de mensen dus als kwaadaardige dieren beschouwd. Johannes de Doper noemt de Farizeeën “addergebroedsels”, dus jonge slangen, die proberen nog snel aan het gevaar te ontkomen. De Joden hadden de gewoonte om na het oogsten de akkers af te branden. Maar vaak zaten daar dan slangen in, die moesten maken dat ze wegkwamen!
Een slang heeft voor de mensen iets gemeens, iets gluiperigs. We noemen hem sluw, berekenend. Dat is zo ongeveer de betekenis van het woord ‘listig’ in Gen. 3:1. Jezus zegt tegen Zijn discipelen: “Wees voorzichtig als de slangen” (Matth. 10:16), dat wil zeggen: wees waakzaam, ga met overleg te werk.
In Egypte kwamen slangen voor die men gemakkelijk kon temmen. Er waren daar ook slangenbezweerders die allerlei kunstjes met die dieren konden uithalen. We lezen immers (Ex. 7:11-12) dat het leek alsof de tovenaars hetzelfde konden doen als Aäron. Maar wie goed oplette kon zien dat ze alleen maar een truc met een levende slang uitvoerden (zodat het dier zich stijf hield en dus op een staf leek). Trouwens: in Egypte werden slangen vereerd. Misschien dat daarom de Israëlieten dat ook deden met de ‘koperen slang’. Gelukkig heeft koning Hizkia aan die afgoderij een eind gemaakt (2 Kon. 18:4).

Leviathan

Tenslotte lezen we hier en daar in Gods Woord over de ‘Leviathan’. In het boek Job (40:20) kan daarmee wel de krokodil bedoeld zijn. Of een ander groot waterdier, dat wij nu niet meer kennen. In Jes. 27:1 wordt dit dier een ‘slang’ genoemd. Dit kan betrekking hebben op een machtige koning uit die dagen, van Egypte of van Babel. Maar het kan ook een aanduiding zijn voor de duivel. Immers, het beeld van een slang of draak wordt in de Bijbel ook toegepast op de grote tegenstander van God. Al in de hof van Eden wist hij Eva te verleiden (Gen. 3: 6; 2 Kor. 11:3). Maar in het laatste Bijbelboek lezen we dat de satan, die genoemd wordt “de oude slang”, wordt overwonnen.