Zwijn

Tamme varkens met hun soms enorme vetlaag kennen we genoeg. Maar het wilde varken of zwijn is wel een wat ander verhaal.

Alleseter

Zwijnen zien er nogal log en gedrongen uit; je zou denken dat ze niet heel slim zijn. Maar dat valt reuze mee. En ze kunnen ook goed uit de voeten. Het is vaak genoeg gebeurd dat een onvoorzichtige wandelaar snel in een boom moest klimmen om de gevaarlijke slagtanden te ontgaan. De Joden kenden het zwijn ook; bij hen was het onrein. Hun werd verboden om ervan te eten of zelfs maar een dood dier aan te raken (Lev. 11:7-8). Dit is ook niet verwonderlijk, als je let op wat een zwijn allemaal eet. Het gaat zo gulzig en woest, dat je gaat denken: het dier vindt belangrijker dát het eet dan wát het eet. Jezus spreekt in een gelijkenis dat een zwijn zelfs kan aanvallen op parels (“Werpt uw paarlen niet voor de zwijnen”, Matth. 7:6). Maar als ze dan merken dat het geen écht voedsel is, kunnen ze geïrriteerd raken en gevaarlijk worden voor een mens. Een zwijn is verre van hygiënisch. Petrus schrijft dat een zeug, een vrouwtjesvarken, graag in de modder rondspartelt (2 Petr. 2:22) – ook als het beest juist is gewassen.

Onrein dier

De Israëlieten mochten dus geen varkens houden. Bij de omliggende volken was dat geen probleem; ze werden zelfs geofferd. In de tijd van de Makkabeeën (167-164 vóór Chr.) heersten de Syriërs over Judea. Ze probeerden de Joodse eredienst omver te werpen en de tempel te ontheiligen door zwijnen te offeren. Ook werden de mensen gedwongen om varkensvlees te eten.
In het Nieuwe Testament komen we ook een paar keer zwijnen tegen. In het land van de Gadarenen, zo lezen we in Markus 5:13, weidde een kudde zwijnen van wel 2.000 stuks. Die behoorden zeker niet toe aan een wetsgetrouwe Jood! Heel bekend is de gelijkenis van de verloren zoon. Deze jongen werd, toen hij gebrek begon te lijden, aangesteld als varkenshoeder. En hij kreeg niet eens goed te eten van de zwijnendraf, die voor die dieren was bestemd. Maar toen hij zei: “Ik verga van honger!” was het ogenblik aangebroken om naar zijn vader terug te keren. Zo wilde Jezus laten zien hoe God een berouwhebbende zondaar in genade wil ontvangen.